Schoonheid heelt

Het is in de late namiddag. Ik zit al uren intensief te werken aan een lastig wetenschappelijk artikel, maar het schiet niet echt op en tast mijn stemming behoorlijk aan. Ik besluit dat het wel even genoeg is geweest. Terwijl ik mijn laptop dichtklap en opsta, valt mijn blik op het park aan de overkant van de singel waaraan ik woon. En valt mijn mond open van bewondering. De zon schijnt voluit, de lucht is van een wonderschoon lichtblauw, en op de oever en de rest van het park daarachter ligt een schitterende sneeuwlaag. Eerder die middag heb ik wel even opgemerkt dat het begon te sneeuwen maar mijn aandacht is verder uitsluitend naar mijn werk uitgegaan. Terwijl ik een tijdlang gebiologeerd naar de schoonheid daarbuiten sta te kijken, gebeurt er ook iets in mij. Alsof een verlangen ontwaakt. Een verlangen om deze schoonheid op de een of andere manier stil te doen staan, blijvend te maken, iets te doen waardoor ze niet meer verdwijnt of in ieder geval weer opgeroepen kan worden. Is dat waarom mensen zulke beelden als daarbuiten naschilderen, fotograferen, filmen, beschrijven? Is dat ook waarom sommigen van ons muzikale  composities scheppen? Om via de schoonheid daarvan de schoonheid van de wereld of van de natuur, vorm, vastlegging en herhaalbaarheid te geven? Terwijl ik naar buiten kijk, het sneeuwt nog steeds, hoor in mijn hoofd als het ware klanken. Uit  het muzikale werk de Vier Jaargetijden van Vivaldi, het concert getiteld Winter. Al mijn hele leven roept een deel daarvan in mijn fantasie het beeld op van langzaam vallende sneeuwvlokken. Nu ook, ik hoor ze bijna vallen. Merkwaardig, want in het echt maken ze geen geluid. Terwijl de schoonheid daarbuiten me fascineert en bijna ontroert, gebeurt er innerlijk nog iets anders. De ontstemming over het maar niet vlotten van het artikel waaraan ik werk, ebt weg. Het gevaar in mijn vak is dat ik vooral bezig ben met wat in de wereld problematisch is. Met het leed, de tekorten, de manco’s, met wat niet lukt, met de lelijkheid. En daardoor soms onvoldoende oog en oor hebt voor de schoonheid die er ook is. En voor hoe helend, hoe therapeutisch, aandacht voor schoonheid kan zijn. De Engelse schrijver Richard John Jefferies (1848 – 1887) die als  geen ander de schoonheid van de natuur – van wat hij noemt ‘wild life’ – in woorden heeft gevat, zegt het zo: “In de uren die we alleen aan schoonheid besteden, leven we pas echt”. Hoeveel waarheid in die woorden schuilgaat, werd mij duidelijk in een gesprek met een goede vriend die door een ruggemerginfarct grotendeels verlamd is. “Ze vragen me wel eens”, zei hij,” of ik zo nog wel wil blijven leven. Ik ben tot de conclusie gekomen, dat zolang ik schoonheid kan ervaren, in de natuur, in kunst, in muziek, in gesprekken, in herinneringen, ik wil leven”. Starend uit het raam van mijn studeerkamer herhaal ik in stilte zijn woorden. En besluit zijn conclusie te onderschrijven.

 

 

Photo by TORSPOMEDIA on Unsplash