Verplicht gezond leven?

Bestaat er zoiets als een plicht tot zo gezond mogelijk leven? Het is een vraag die me af en toe bezighoudt. Onlangs naar aanleiding van een gesprek met mijn cardioloog. Een week of drie geleden ben ik vanwege hartritmestoornis op de Eerste Hart Hulp van het LUMC beland en daar behandeld met cardioconversie, zeg maar een electrische schok om het hartritme weer te normaliseren. Dat is goed gelukt. Ik ben twee keer eerder zo behandeld. De eerste keer zo’n dertig jaar geleden, de tweede keer een jaar of vier geleden. Behalve bedanken voor de  effectieve hulp wilde ik vooral van haar weten wat ik kan doen om herhaling te voorkomen. Omdat hartritmestoornis een vervelende en potentieel bedreigende klacht is, maar vooral ook omdat het voor mijn partner en (klein)kinderen schrikken en  beangstigend is. Haar antwoord is dat ze me qua preventie niet veel te bieden heeft. Ik scoor (heel) laag op de bekende risicofatoren: heb geen overgewicht, diabetes, hoge bloeddruk, slaapapneu, afwijkingen aan mijn hartspier of -kleppen. Mijn leeftijd kan het ook niet zonder meer zijn want de eerste keer was ik nog geen dertig.  Erfelijkheid lijkt ook niet in het spel. Wat beschermende factoren betreft scoor ik eveneens gunstig: voldoende bewegen, (regel)matig sporten, gezond en matig eten, zelden alcohol drinken en niet roken. Het gesprek was voor mij daarom, hoe gek het ook klinkt, onbevredigend. Want als ik ondanks mijn gunstige score op risico- en beschermingsfactoren toch weer zo’n aanval kan krijgen, zoals blijkt, dan ben ik preventief vooralsnog uitgespeeld. En als ik ergens niet goed tegen kan, dan is het dat. Daarom ben ik driftig aan het zoeken geslagen, in en rondom mijn eigen vakgebied de psychologie, naar methoden of oefeningen, waarvoor enig, hoewel geen doorslaggevend, bewijs bestaat dat ze kunnen helpen bij spanningsreductie van de hartspieren en het voorkomen van ritmestoornis of -ontregeling. Ik heb er vijf gevonden die in dat opzicht enigzins dan wel zelfs veel belovend lijken. Ik soms ze op: 1) (yoga of pranayama) ademhalingstechnieken; 2) progressieve spierontspanning; 3) autogene training; 4) (transcendente) meditatie; en 5) zelfhypnose. Het voert te ver ze hier in meer detail te beschrijven, ik kom daar binnenkort met een link op terug. Overigens, de nummers 3,4 en 5 heb ik zelf eerder en niet zelden over langere tijd beoefend maar om een of andere reden is daar de klad ingekomen. Terugblikkend voelt dat toch als een soort van tekortschieten of zelfverwaarlozing. En dat brengt me terug op de beginvraag. Als zulke methoden een preventief effect kunnen, nogmaals kúnnen, hebben, ben ik dan verplicht om ze, naast alles wat ik al doe, te proberen? ‘Verplicht’ is misschien toch wat  te streng gezegd of stressverhogend. Maar ik meen wel dat zoveel mogelijk doen c.q. proberen waardoor je gezond blijft, een bewijs is van je liefde voor het leven en voor anderen, zoals je partner, kinderen, kleinkinderen, familie en vrienden. Te meer omdat een  bonus van zo gezond mogelijk vaak ook zo gelukkig mogelijk is.

 

Photo by Jen Theodore on Unsplash

Bewaak je grenzen

Er is een tijd geweest, nota bene in de periode dat ik als psycholoog verbonden was aan een herstellingsoord voor overspannen mensen, dat ik zelf dicht tegen overspanning of  burnout aanzat. Op een bepaalde manier besefte ik dat ook maar wilde het niet waar hebben. Ik vond het daarom ook heel vervelend dat mijn ‘senior’, een oudere en wijzere collega, me er herhaaldelijk opwees. “Je zorgt goed voor je clienten, maar niet  voor jezelf, dat gaat ooit mis. Je moet echt leren beter je grenzen te trekken en meer aan grensbewaking te doen. Vaker ‘nee’ zeggen dus. Burn-out is de ‘ziekte’ van teveel ‘ja’ en te weinig ‘neen’. Ook bij ons psychologen”. Er is voor een psycholoog nauwelijks iets krenkender dan te horen te krijgen dat je zelf tekort schiet op een gebied waarop je juist verondersteld wordt deskundig te zijn, anderen te kunnen helpen. Probleem is alleen dat veranderen nergens zo moeilijk als juist daar waar je persoonlijke en beroepsmatige trots en zelfbeeld in het geding is. Mijn eerste neiging was daarom te ontkennen dat ik het moeilijk vond  verzoeken om hulp  te weigeren, ook als ik die er eigenlijk niet meer bij kon hebben, ze best tot de volgende reguliere afspraak konden wachten of niet eens tot mijn takenpakket behoorden. Voor mij stond  weigeren bijna automatisch gelijk met de ander tekort doen, onaardig zijn (of gevonden te worden) en me, als ik het al een keer deed, achteraf schuldig te voelen. Vanwege die gevoelens kwam ik daarom niet zelden terug op een aanvankelijke weigering en bood toch hulp. Wat ik aanvankelijk niet zag was dat ‘ja’ zeggen voor mij een gewoonte was geworden en gewoontes zijn energiebinders. Verbreek een gewoonte en er treedt aanvankelijk bijna altijd spanning op. De onvermijdelijke veranderingsspanning. Cruciaal nu is dat je op die vrijkomende spanning het etiket plakt ‘ik ben een gewoonte aan het veranderen’ en niet “ik doe iets verkeerds (anders zou ik me niet zo gespannen voelen)”. Want dan val je dikwijls terug in je oude gewoonte van ‘ja’ zeggen. Met als gevolg dat je anderen jouw  agenda, jouw werklast en -lust, laat bepalen. Hét recept voor een burn-out: Mijn senior-collega heeft me voor de poorten daarvan weggesleept. Door me bij herhaling in te peperen dat niet alleen in de internationale politiek maar ook in ons persoonlijke leven het bewaken van grenzen een cruciale vaardigheid is. (Terzijde: de talloze thuiswerkers als gevolg van de pandemie weten daar inmiddels alles van). En door me flink mijn eigen trekken thuis te geven: “Jij bent degene, René, die heeft geponeerd ‘leef je leven als het bewonen van een huis met 5 kamers. Een werk- relatie-, gezondheids-. vrijetijds- en een spirituele of zingevingskamer, zorg ervoor dat je in iedere kamer dagelijks tenminste even en over langere tijd gezien een aanzienlijke hoeveelheid tijd doorbrengt, en bewaak de grenzen tussen je kamers goed’. Waar het nu op aankomt is dat jij  praktizeert wat je poneert”. Waarvan acte.

 

 

Photo by JJ Jordan on Unsplash

Wat een gedoe, kinderen

Afgelopen zondag. Terwijl de kleinkinderen zich prima met elkaar vermaken komt het gesprek tussen de kinderen en ons op een gegeven moment op opvoedingsonzekerheden. Of wij die ook gehad hebben. De vraag brengt ons terug op een ervaring van een flink aantal jaren geleden. Mijn vrouw en ik zitten in een koffiehoek op Schiphol te praten met een Amerikaanse collega die bij ons heeft gelogeerd en die weer naar huis vliegt. Niet zomaar een collega, maar de wereldwijd meest invloedrijke  psychotherapeut van de afgelopen eeuw, Albert Ellis. We krijgen het over kinderen en vertellen hem over onze opvoedingsonzekerheden. Op een gegeven moment valt er een stilte. We aarzelen beiden of wij weer door kunnen gaan of eerst hem de gelegenheid moeten geven te reageren. Het probleem wordt in drie woorden opgelost. ,,Children are hassle”, zegt hij, als een rechter die zijn vonnis velt. Vrij vertaald: ‘kinderen zijn gedoe,  gesodemieter’. We kijken naar elkaar, zo van  ‘da’s een heftige!’ Maar vrijwel meteen dringt zich ook een gevoel van herkenning en vooral erkenning op. ‘Kinderen zijn gedoe’ horen we onszelf  zachtjes herhalen, alsof het verlossende woord gesproken is. Alsof iemand ons in een paar woorden bevrijd heeft van de druk van zelfveroordeling. Zelfveroordeling voor het feit dat je opvoeding bij tijd en wijle als een verdomd zware klus ervaart. Een waarvan je je soms afvraagt ‘waar ben ik in godsnaam aan begonnen?’, terwijl je, er eenmaal aan begonnen, toch niets anders wilt. Trouwens ook niet anders kunt. Zelfveroordeling daarom voor gevoelens van boosheid, frustratie, van soms even geen kinderliefde te ervaren maar ze het liefst aan de ophaaldienst mee willen geven. Zelfveroordeling ook voor het ‘klungelen’ met  opvoedingsmethoden. Je beseft dat je vaak maar wat doet. En natuurlijk pakt dat soms niet goed uit. Dan wordt  je kind er alleen maar nog ongelukkiger of vervelender van. En dus jij als ouder ook. Of je begint aan methoden die gewoon niet konsequent vol te houden zijn. Tenminste niet als je ook nog tijd voor jezelf wilt overhouden. Zelfveroordeling daarom ook voor het feit dat je soms gewoon egocentrisch voor jezelf kiest. Ook als je weet dat je kind het gewoon niet wil. Zoals ergens moeten logeren waar het ‘t niet echt leuk vindt. Maar papa en mama moeten er zo nodig samen een paar dagen uit. “Echt, dat ga je na een tijdje heus wel leuk gaat vinden en we nemen een groot kado voor je mee”. Praatjes voor eigen parochie en afkoopsommen. Zijn kinderen inderdaad gedoe, gesodemieter? “Met kinderen” sloot Ellis af terwijl we opstonden om hem naar de gate te vergezellen, “ is het in ieder geval altijd wat. Wat leuks, liefs,  grappigs, teders,  maar ook wat vervelends, beangstigends, verdrietigs, onaardigs. Maar anders dan bij volwassenen moet jij in de relatie met je kinderen de wijste wezen. En dat ben je niet altijd”. “Ja”, reageert mijn jongste zoon met een vette glimlach op ons relaas, “dat hebben we weleens gemerkt”.

 

 

Photo by Caroline Hernandez on Unsplash

Dag Majesteit

“Dag Majesteit, dag Maxima,

Dit is de eerste keer in ruim dertig jaar dat ik op deze plaats een open brief aan één enkele persoon schrijf, en wel aan u. En wel omdat ik in de veronderstelling verkeer dat u op een voor velen buitengewoon gevoelig en belangrijk punt een groot verschil zou kunnen maken. Een verschil in pijn, schuldgevoel en zelfveroordeling. Die veronderstelling baseer ik op het TV-gesprek dat u ter gelegenheid van uw 50ste verjaardag met  Matthijs van Nieuwkerk had. Ik hoopte zeer dat u daarin het spreken over het waarschijnlijk grootste verlies in uw leven, het  overlijden van uw zus Inés, niet uit de weg zou gaan. Dat hebt u ook niet gedaan. Ik ben u daar dankbaar voor. Persoonlijk, als ervaringsdeskundige. Professioneel, als hulpverlener aan nabestaanden van mensen die, evenals Inés, zelf hun leven hebben beeindigd. U hebt op oprechte wijze woorden gegeven aan de vragen waarmee vele tienduizenden in ons land en vele miljoenen over de gehele wereld na een zelfdoding door een dierbare worstelen. Vaak een leven lang. “Waarom?” “Was dit te voorkomen geweest?” “Had er sneller en beter hulp geboden moeten worden”. “Had ík misschien nog meer kunnen doen?” Vragen die zelden of nooit een afdoende antwoord krijgen, zodat mede door het taboe erover te praten met anderen, niet alleen verdriet en frustratie maar ook angst en schaamte je deel zijn als nabestaande. Het is troostend als een ander zich daarin kan inleven. Het is balsemend als een koningin dat kan. Niettemin, ik heb in deze een dringende wens aan u. Wanneer u in het gesprek met Matthijs gaat uitleggen hoe ingrijpend een zelfdoding kan zijn begint u als volgt: “Als iemand in je familie zelfmoord pleegt..”. Toegegeven, tal van Nederlanders gebruiken bijna automatisch termen als ‘zelfmoord’ en ‘zelfmoord plegen’. Maar goed beschouwd zijn het onterechte en vreselijke termen. Ze bevatten een ingebouwde veroordeling en stammen uit tijden waarin zelfdoding werd beschouwd als voor God en gemeenschap de ergste moord en daarmee de grootste misdaad die een mens kon begaan. Maar Inés heeft geen misdaad begaan. Ze heeft zichzelf niet vermoord. Ze heeft, in uw moedertaal vertaald, geen homicidio begaan. Ze heeft voor suicidio gekozen, voor het zelf beeindigen van haar lijden aan het leven. Dat is, op 33-jarige leeftijd, erg genoeg. Laten we op zulke verdrietige keuzes niet ook nog belastende termen plakken. Ze doen zovele nabestaanden steeds weer zoveel pijn. Mede door hen aangespoord span ik me al langere tijd in die vreselijke woorden uit de media en de alledaagse omgangstaal te weren. Maar dat blijkt een lastige opgave. Vandaar dit beroep op u. Uw oprechte openheid over de zelfdoding van uw zus in combinatie met een uitdrukkelijke stellingname uwerzijds tegen onterechte en onnodig pijnlijke termen als zelfmoord en zelfmoord plegen, zal een bizondere impuls betekenen voor de aandacht in de samenleving voor dit grote verdriet. Vooral onder jongeren en jongvolwassenen  zal die aandacht meer dan eens levensreddend blijken.

Ik hoop zeer van u te horen,

Hoogachtend”