Het sympathiekste beroep

Waarom dat zo is kan ik niet precies duiden, maar van alle beroepen  vind ik verpleegkundige het sympathiekste. Mogelijk omdat ik zelf mijn werkzame leven ben begonnen als leerling-verpleegkundige. Dat was overigens niet mijn eigen keuze. Ik wilde sychologie studeren, maar mijn vader wilde daar niets van weten:“Psycholoog is geen soort van beroep en er valt geen droog stuk brood mee te verdienen. Dat gaan we dus niet doen.”.  Omdat indertijd ouders boven een bepaald inkomen universitaire studies moesten betalen, kon ik mijn keuze niet volgen. Mijnerzijds weigerde ik bij hem in de (textiel)zaak te komen werken. Het gevolg was spanningen in huis en soms zelfs openlijke ruzies. Tot hij toch met een ‘compromis’ kwam. Als ik kon bewijzen dat mijn hart echt bij psychologie lag door een jaarlang  in een psychiatrisch ziekenhuis te werken als leerlingverpleegkundige én als mijn opleiders of supervisoren daar vonden dat ik geschikt was voor psychologie, mocht ik alsnog gaan studeren op zijn kosten. Ik was laaiend over die eisen. Ik wilde nú. Maar er was geen verdere beweging in ‘m te krijgen. Dus boog ik. Eerlijk gezegd, ik heb het als een fantastisch jaar ervaren. Ik was 17, nog zo groen als gras, zeer beinvloedbaar en leergierig, zoog alles dat aan informatie, onderwijs en ervaringen voorbijkwam in me op en had twee buitengewoon sympathieke en competente (adjunct)hoofdverpleegkundigen. Maar wat me vooral aansprak was de dagelijkse omgang met patienten met de meest uiteenlopende ziektebeelden, te ontdekken dat het vaak heel goed mogelijk was met hen te communiceren, een relatie met hen op te bouwen en zelfs iets dat op vriendschap leek. Waardoor ik, ook vaak het nodige te horen kreeg over hun levensloop, over wat hen bezighield, pijn deed en over hun gevoelens van eenzaamheid en zinloosheid. Ik durf de stelling aan dat van alle mensen om hen heen mijn mede-leerlingen of ik dikwijls het meest van hen wisten. Toch herinner ik me niet dat ons daar ooit naar werd gevraagd. De  keren dat er een paviljoensbrede patientenbespreking plaatsvond, bleken de aanwezige psychiaters en psychologen veel meer aandacht te hebben voor elkaars observaties  en oordelen dan die van de verpleegkundigen, inclusief de hoofdverpleegkundigen. Vaak had ik het gevoel dat wij vooral hulpjes ‘in waiting’ waren, die er voornamelijk bij zaten om eventuele opdrachten in ontvangst te nemen en gestelde diagnoses te bevestigen. Tegenspraak werd doorgaans genegeerd in plaats van geexploreerd en soms zelfs openlijk op een arrogante manier afgedaan. Waardoor we ook niet meer durfden. Hoe gek het ook klinkt voor een psychiatrisch ziekenhuis, er heerste daar een gebrek aan psychologische veiligheid tussen staf en medewerkers. Of nog preciezer, tussen de universitair en niet-universitair opgeleiden. Met als gevolg dat de laatsten bepaalde fouten of waargenomen problemen niet durfden te benoemen of voor zich hielden. Naar aanleiding van een recente ziekenhuisopname heb ik me afgevraagd of dergelijke statusverschillen en de ermee verbonden psychologische onveiligheid nog altijd werkzaam zijn, zo niet in psychiatrische dan wel in algemene ziekhuizen. Ik twijfel. Laten we het daarom in ieder geval grondig gaan onderzoeken.

 

 

Foto door Willem van de Poll

https://commons.wikimedia.org/wiki/File:Verpleegster_bij_zieke_vrouw_in_het_Joodse_werkdorp_in_de_Wieringermeer,_Bestanddeelnr_254-4931.jpg

 

De dans van hechten en onthechten

Eergisteren was ik gast in het radioprogramma Maxnieuwsweekend. De laatste aflevering van het meest beluisterde radioduo, Mieke van der Weij en Peter de Bie. Hij neemt na zo’n dertig jaar afscheid, gaat met pensioen. Zij gaat verder met een nog te kiezen, meen ik, medepresentator. Hoe dan ook, alle reden om Peter ter afscheid in het zonnetje te zetten. Maar ook, een van de kwaliteiten van het programma, aandacht te besteden aan de serieuze, ik zou zelfs haast zeggen psychologische, kanten van zo’n levensbeslissing als afscheid nemen, met pensioen gaan. Daarover is Mieke, heel symbolisch in het laatste kwartier van de uitzending, met mij in gesprek gegaan. Ik stip een paar thema’s daaruit aan. Veel mensen hebben moeite met afscheid nemen. Hoe komt dat? En hoe neem je op een goede manier afscheid? Mijn antwoord op de eerste vraag is dat ons leven een voortdurende dans van hechten en onthechten is. Om aan leven te beginnen en te overleven moeten we ons hechten. Aan voedingsbronnen, anderen, ideeen, idealen, aktiviteiten, waarden. Zonder zulke hechtingen kunnen we ons niet ontwikkelen, hebben we geen bestaan, geen toekomst. Maar hechtingen hebben beperkte geldigheidswaarde, moeten bij tijd en wijle versterkt of vervangen worden of zelfs verdwijnen. Om zelfstandig en vrij en zolang mogelijk te bestaan moeten we ook kunnen onthechten. Goodbye kunnen zeggen. Leven is hechten en onthechten, vastmaken en loslaten, ons losscheuren en losgescheurd worden.  Dat doet op bepaalde momenten pijn, soms zelfs heel veel pijn. Terwijl wij mensen, begrijpelijk, pijnvermijders zijn. En terwijl het juist bij een groot verlies of afscheid cruciaal is het dieptepunt van de pijn op te zoeken en te willen leren verdragen. Immers, op het diepste punt van het dal is er nog maar één weg. De weg omhoog. Mijn tweede antwoord? Goed afscheid nemen vergt moed. De moed om je bewust te willen zijn van je eigen pijn en daaraan het hoofd te bieden. De moed ook om anderen deelgenoot te maken van jouw pijn. En de moed deelgenoot van de afscheidspijn van anderen te zijn. Wat het er vaak niet gemakkelijker op maakt, is dat de pijn van het huidige (dreigende) verlies of afscheid de pijn van eerdere verliezen los kan woelen en de angst voor emotionele ontreddering, emotioneel controleverlies, kan doen opspelen. Zo kan het gebeuren dat we helaas te laat beseffen dat we sterke gevoelens voor een verloren ander of situatie hadden maar die niet op tijd hebben herkend, erkend en aan- of uitgesproken. Precies daarom is het meest essentiele dat wij voor anderen en anderen voor ons in afscheidssituaties kunnen betekenen een relatie of situatie bieden waarin we veilig genoeg tot de emotionele bodem kunnen gaan. Ad fundum dus. Ad fundum afscheid nemen van iemand is zo belangrijk, omdat het ons een gelegenheid geeft te uiten wat deze persoon voor ons heeft betekend, en ons afscheid van hem of haar te markeren als een memorabele gebeurtenis, waardig voor zowel herdenking als afsluiting. Kortom, in zekere zin is er niets zo hechtend als een goed afscheid.

Het doel van voetbal?

Bestaat er eigenlijk wel zoiets als voetbal? Volgens 300 miljoen spelers  op de velden wereldwijd en  4 miljard fans langs de lijn, de tribune, televisie of sociale media, overkoepeld door de wereld voetbal federatie (FIFA), wel. Ik ben het niet met hen eens. Voor wie de benaming voetbalfederatie’ serieus neemt, moet het een spel zijn dat uitsluitend met de voeten wordt gespeeld. Dus niet, zoals vrijdag Nederland-Argentinie, met je handen duwen en trekken aan kleren en lichaam van je tegenstander, met je beide armen zijn bovenlichaam ‘omhelzen’ zodat hij niet weg en jou dus te snel af kan zijn. En al helemaal niet met je ellebogen diens gezicht of andere lichaamsdelen herhaaldelijk flinke optaters verkopen. En dan na afloop ook nog eens gaan schelden tegen scheidsrechters, coaches of tegenstanders. En toch vinden zulke praktijken en meer aan de lopende band plaats. Voetbalwedstrijden? Het woord is sowieso misplaatst. Want tijdens zulke wedstrijden mag je ook nog je hoofd als stormram inzetten. Kortom, je mag je hoogste en laagste lichaamsdelen, hoofd, voeten en mond, misbruiken  zolang  je het maar niet al te onmiskenbaar opzettelijk doet om de de tegenstander onderuit te halen, te ontregelen of zoveel mogelijk pijn te doen. Terecht is de oudste benaming van het spel, daterend van halverwege de negentiende eeuw, niet footbal of futbal, maar soccer. Dat is een dialect- of slangwoord voor ‘association’, het met meerdere anderen tegen meerdere anderen spelen van een spel. Dat kan het overigens niet zijn wat dit ‘rare’ spel zo mateloos populair maakt. Er zijn tal van  associatief-sportieve spelen, denk aan rugby. Maar geen daarvan is zo populair. Wat maakt voetbal zo ‘doeltreffend’. Is het vermaak? Is het voor kortere of langere tijd doen opleven van identiteits- of groepsvorming. Is het opvlammend nationalisme? Hoewel geen ware liefhebber moet ik toegeven dat voetbal de waarschijnlijk meest democratische en psychologische van alle associatieve sporten is. Bedenk alleen maar dat  het maken van een doelpunt veelal het direct zichtbare resultaat is van de creativiteit van een groep waarin een enkeling (cfr Messi) duidelijk zichtbaar de hoofdrol mag spelen en waarin het zo handig mogelijk omgaan met frustraties voor alle groepsleden een hoofddoel is. Kortom, voetbal is vooral frustratie-educatie. Van volwassenen door elkaar, van jongeren door volwassenen, en van volwassenen door jongeren. Zie dit alleszeggende relaas van een coach over ouder-educatie langs de lijn. Halverwege tijdens een voetbalwedstijd riep hij een van zijn zevenjarige spelertjes bij zich en vroeg: ‘Weet jij wat samenwerken is, wat een team is? “Ja!”. knikte het  joch. “En”, ging de coach verder, “je weet ook zeker wel dat als een penalty wordt toegewezen, je niet gaat protesteren, schelden, de scheidsrechter bedreigen of hem een mafkees noemen?” Het jochie knikte opnieuw. “En je weet ook dat als ik je uit de ploeg haal zodat een andere jongen ook een kans krijgt te spelen, het niet sportief is om mij een dumbo te noemen”. Weer knikte het jochie. “Goed”, zei de coach. “Ga nu naar daarginds en leg dit allemaal aan je moeder uit!”

 

 

Image by bottomlayercz0 from Pixabay 

Afscheid

“Na ruim 28 jaar en meer dan 1350 uitzendingen op zaterdagochtend van 08.30 uur tot 11.00 uur, heeft presentator Peter de Bie afscheid genomen van de radio. Hij presenteerde vandaag voor het laatst Nieuwsweekend (Omroep MAX) op NPO Radio 1. Je luistert de uitzending hier terug.”

Luister hier de uitzending bij NPO1

Over draaglast en draagkracht

Wat is er aan de hand waardoor in de afgelopen jaren het percentage jongeren en (jong)volwassenen met psychische klachten zo sterk is gestegen? Het betreft dan voornamelijk angstklachten, depressieve stemmingsklachten en klachten die te maken hebben met alcohol of ander druggebruik. Op dit moment kampt maar liefst 1 op de 4 Nederlanders met zulke klachten. Het zijn klachten die hun functioneren op allerlei gebieden, zoals werk, studie, relaties, zelfbeeld, zelfvertrouwen en toekomstperspectief nadelig kunnen beinvloeden. Wat mij vooral opvalt bij degenen die zich bij mij met zulke klachten melden dat ze vaak ook burnout-achtige klachten hebben, vooral lichamelijke moeheid, gevoel van uitputting, concentratie- en geheugenproblemen, slaapproblemen, snel emotioneel en geirriteerd raken, en gevoelens van zinloosheid. Samenhangend met dat laatste, een aanzienlijk aantal  heeft sterk de neiging zichzelf te veroordelen voor het feit dat ze niet in staat zijn (gebleken) hun werk of studie goed te blijven uitoefenen. Alsof hun klachten of dreigende burnout in belangrijke mate hun eigen schuld is en ze er vanuit gaan dat anderen in hun werk- of studieomgeving daar waarschijnlijk net zo over denken. Vooral als de  uitval uit werk of groeps-/team studieopdrachten meer werk en werkdruk voor collega’s of medestudenten betekent. Dat is dan ook een van de eerste kwesties waarbij ik hen probeer te helpen: te begrijpen waar hun psychische, dreigende burnout- en stressklachten  vandaan komen en wat ze daaraan zelf wel maar ook niet aan kunnen doen en waar vooral bepaalde hulp, inschakeling of gedragsverandering van anderen, bijvoorbeeld van een manager, teamleider of docent, gewenst of vereist is. Want psychische en burnout-klachten zijn vrijwel altijd  symptoom van het feit dat er een te grote kloof  bestaat tussen enerzijds je draaglast en anderzijds je draagkracht. Reden voor mij voor te stellen samen die kloof te verkennen en waar mogelijk te dichten of te overbruggen met behulp van het  zogenoemde taakanalyse-interview. Daarmee wordt inderdaad eerst je draaglast geinventariseerd. Daaraan aansluitend wordt per taak/probleem nagegaan wat je aan middelen, materieel en financieel, aan sociale ondersteuning, aan vaardigheden en aan stressbestendigheid ter beschikking of nodig hebt om aan je draaglast goed het hoofd te bieden. Voorbeeld. Het maakt nogal een stress-verschil of jij zelf als ouder voldoende opleiding hebt gehad om je kinderen bij hun schoolwerk (af en toe) te begeleiden of dat je er werkelijk niets van snapt. Ander voorbeeld. Het maakt heel wat uit hoe veilig de kwaliteit van je buurt is en wat jullie als bewoners daar samen aan kunnen en bereid zijn te doen. Kortom, een goede inventarisatie van draaglast versus  draagkracht levert dikwijls behalve nieuwe denk- ook nieuwe oplossingrichtingen op. Zelfs tussen vader en zoon. Een jochie was bezig, terwijl zijn vader toekeek, om in de tuin een zware steen te verplaatsen. Dat lukte hem maar niet. Waarop zijn vader zei ‘Je moet al je krachten gebruiken!’. “Dat doe ik!” antwoordde het joch bozig. “Nee, dat doe je niet” reageerde de vader. “Want ik sta hier al een tijd en je hebt me nog niet gevraagd je te helpen”

Succes is vaak een kwestie van geluk hebben

Afgelopen week tijdens een lezing voor ambtenaren en andere werknemers bij de gemeente Deventer legde ik hen via hun  smartphone deze twee vragen voor: 1) Wie van jullie denkt dat jij beter auto/scooter rijdt dan de gemiddelde automobilist/scooterrijder in ons land? 2. Wie van jullie denkt dat jij beter met stress kunt omgaan gaan dan de collega’s gemiddeld? Op beide vragen antwoordde 60-70 % van de aanwezigen dat ze beter dan gemiddeld scoren. Formeel genomen raar, want  geen van de aanwezigen beschikt over onderzoek dat bewijst dat ze het op deze gebieden beter dan gemiddeld doen. Hebben die Deventenaren dan zo weinig zelfkennis of bescheidenheid? Zijn het grotendeels  opscheppers? Het ligt, gelukkig, wat complexer. Psycholoog en Nobelprijs winnaar Daniel Kahneman heeft onderzocht welke denkpatronen aangaande succes en mislukking  (of geluk en pech) de evolutie in ons mensen heeft ingebouwd. Kahneman spreekt van de Fundamentele Attributie ( = toeschrijvings-) Fout, kortweg FAF. Kahnemann: “Wanneer we anderen beoordelen zijn we geneigd hun successen toe te schrijven aan omstandigheden of geluk en hun fouten of falen aan hun persoonlijkheid of gebrek aan talenten terwijl  wanneer we onze eigen leven of gedrag beoordelen, we het omgekeerde doen. Onze successen schrijven we toe aan onze persoonlijkheid en onze mislukkingen aan omstandigheden of pech.”. Door onze FAF-neiging schrijven aan onszelf meer kwaliteiten toe dan waarover we feitelijk beschikken, en hebben we grote moeite met het  erkennen van de rol van geluk in ons leven. Het zijn met name de grote geluksvogels die daar het meest mee worstelen. Zij hebben het meest te verliezen bij de erkenning  dat wat ze bereikt hebben vaak minder te maken heeft met talent of inspanning dan met het feit dat het lot hen nu eenmaal beter gezind is geweest. Tal van zeer succesvolle mensen zoals Donald Trump – ook al mag je ‘m absoluut niet je kunt toch moeilijk ontkennen dat hij daar een supervoorbeeld van is – hebben grote moeite te accepteren dat hun successen vooral ook een kwestie van geluk zijn (geweest).  Donald accepteert maar niet dat zijn huidige falen, niet herkozen zijn als president, niet  het gevolg is geweest van toevallige omstandigheden, zoals haperende stemmachnies of vals spel door concurrenten maar van zijn voor een steeds  grotere groep Amerikanen immorele gedrag. Niet alleen reageert hij  zwaar beledigd als je begint over de waarschijnlijkheid van gewoon geluk als (mede)bepaler van zijn eerdere successen. Het maakt hem ook onzeker want het wijst erop dat hij minder zelfsturing en zelfcontrole over zijn levensloop heeft dan hij zelf graag wil geloven en wil dat anderen geloven. En dan is er nog dat andere belangrijke psychologische gevolg. Als succes vaak ook een kwestie van geluk is, en dat is het, dan betekent het dat we de ‘minder gelukkigen’ onder ons  niet zomaar verantwoordelijk kunnen houden voor hun ‘mindere’ prestaties en beroerdere levenssituaties en hen minstens  zo respektvol en meer ondersteunend hebben te behandelen dan de ‘geluksvogels’. Tenminste als respect en zoveel mogelijk gelijke kansen voor iedereen de cruciale morele waarde voor ons is.

 

Image by Silvia from Pixabay 

Helende opperbevelhebber

Het is twee dagen vóór zijn dertigste verjaardag en zeven dagen vóór Kerst. Zijn vrouw Neilia heeft samen met hun drie kinderen, Beau (3), Hunter (2) en Naomi (1) zojuist inkopen gedaan. Bij het verlaten van een kruising worden ze door een truck aangereden. Neilla en Naomi zijn op slag dood. Beau en Hunter komen er met niet onherstelbare breuken en verwonderingen van af. Maar de impact op zijn leven is begrijpelijkerwijze enorm. Hij besluit, hoewel hij pas enkele weken als politicus in functie is, deze functie op te gegeven. Hij wil er eerst en vooral voor zijn zoontjes zijn. Het verdriet, de ontreddering en de boosheid maken het hem bovendien vrijwel onmogelijk zich goed op zijn werk te concentreren. Hij zou later in een uitbarsting van verdrietige woede, verklaren dat God hem een vreselijke rotstreek had geleverd, ‘a horrible trick’. Niettemin weten collega’s en vrienden hem uiteindelijk over te halen de tragedie ook als een uitdaging of opdracht te gaan zien. Of zoals een van hen het verwoordde, te proberen: ‘to turn tragedy into triumph’. En precies dat heeft hij in de volgende vijftig jaar, hij zou later nog eens een zoon aan de dood verliezen, tot op de dag van vandaag, hij is gisteren, 20 november, tachtig geworden, gedaan. En als de voortekenen niet bedriegen zal hij dat nog minstens een aantal jaren blijven doen. Van mij mag hij als hij het blijft doen zoals hij het tot nu toe doet, in een van de moeilijkste perioden die de wereld of in ieder geval Europa sinds de Tweede Wereld Oorlog mee maakt. Want Joe Biden, daar heb ik het natuurlijk over, is niet alleen de oudste president die de VS ooit heeft gehad. Het zal me niet verbazen als het oordeel van de geschiedenis over hem, mogelijk ex aequo met Abraham Lincoln (1809-1865),  ook zal luiden dat hij de wijste was. Biden is in ieder geval een treffend voorbeeld van de voornaamste bevindingen in het psychologisch wetenschappelijk onderzoek naar het verband tussen leeftijd en wijsheid. Wijsheid is een combinatie van een aantal kwaliteiten. 1. Het  vermogen om van perspectief te kunnen wisselen en een situatie of conflict vanuit verschillende gezichtspunten te kunnen en willen bekijken. 2. Het inzicht dat mensen kunnen veranderen en dat ook vaak doen als er maar naar ze geluisterd wordt of ze  alternatieven aangeboden worden.3. De gerichtheid op het zoeken naar oplossingen. 4. En wel zo dat niemand van de betrokken partijen gezichtsverlies lijdt. Komt deze conflictwijsheid met de jaren? Veelal ja. Mensen boven de 65 scoren  op deze dimensies gemiddeld hoger dan die daaronder. Ze gaan wijzer en effectiever om met conflicten die aan hen worden voorgelegd. Dat geldt zowel voor politieke conflicten (tussen bevolkingsgroepen) als voor conflicten tussen familieleden, partners en vrienden. Bovendien blijkt dat goed voorbeeld goed doet volgen. Ouderen blijken op deze punten vooral van andere goede-voorbeeld-ouderen te leren. Zoals van deze woorden van Joe: ‘ik wil helen, niet verdelen’. In mijn woorden: laten we nog lang zo’n healer-in-chief als voorbeeld mogen houden.

 

 

Image by Welcome to All ! ツ from Pixabay 

Gebrek aan zelfcompassie

Enige tijd geleden werd ik uitgenodigd door een scholengemeenschap om een demonstratieles psychologie te geven. Het thema mocht ik zelf bepalen maar ik besloot de leerlingen te laten kiezen uit de inhoudsopgave van het lesboek Psychologisch.  Tot mijn verbazing gingen de meeste stemmen naar het hoofdstuk Suicidaliteit en Depressie. Naar ik later begreep had dat veel te maken met de lopende oorlog, de klimaatcrisis, de economische crisis (inflatie en energieschaarste), de twijfel onder de jongeren of deze crises nog wel oplosbaar zijn en de toenemende depressieve en suicidale gedachten bij hen. Mede daarom ging het gesprek vooral over de situatie van een jongere, Raoul, 18 jaar, en de vraag of zijn zelfdoding te voorkomen was geweest. Op een dag vond zijn moeder hem in zijn kamer, vrijwel bewusteloos door het innemen van een grote hoeveelheid slaap- en aspirinetabletten. Hij werd met spoed opgenomen in het ziekenhuis. Weer thuis vonden zowel zijn ouders als hij het moeilijk om te praten over wat er was gebeurd.

Een week later werd Raoul dood gevonden onderaan een flatgebouw in de buurt. Hij was daar vanaf gesprongen. In zijn afscheidsbrief maakte hij duidelijk dat hij zich wanhopig en depressief voelde. Hij meende niet te kunnen voldoen aan de verwachtingen van zijn ouders, begreep hun stille verwijten over zijn eerdere suïcidepoging, maar had er geen vertrouwen in dat iemand hem kon helpen. Zijn brief eindigde aldus: ‘Ik wil niet langer een last en een teleurstelling voor jullie zijn, omdat ik school niet af heb gemaakt en het met werk vinden iedere keer niet goed lukt. Ik ben er zeker van dat jullie vroeg of laat zullen begrijpen dat het zo beter is voor ons allemaal’.

In de nabespreking wezen meerdere leerlingen erop dat Raoul geen vrienden leek te hebben gehad en bepaald ook geen vriend van zichzelf was  geweest. Hij bleek vooral streng zelfveroordelend. In de psychologie wordt dat een gebrek aan zelfcompassie genoemd.  Het gaat hier om essentiele vragen als hoeveel compassie heb je met jezelf als je door een fout of misser van jezelf in moeilijkheden bent geraakt? Blijf je jezelf eindeloos verwijten maken? Doe je dat zelfs als het gaat om gebeurtenissen waar je geen of weinig controle over hebt?. Terwijl we tegen een goede vriend die iets ergs buiten zijn of haar schuld overkomt, zoals een depressie, zeggen dat zelfverwijten onterecht zijn, hebben we ten opzichte van onszelf in zo’n situatie lang niet altijd compassie. Zelfcompassie, vergevingsgezindheid tegenover jezelf, is bepaald niet hetzelfde als zelfmedelijden. Het is de houding van vrienden blijven met jezelf, ook als je in moeilijkheden verkeert, van inzien dat fouten of moeilijkheden niet meer betekenen dan dat je lid bent van de afdeling mensheid, je bewust bent van je negatieve gedachten en gevoelens en van vastbesloten zijn daar niet in te blijven hangen.

Gebrek aan zelfcompassie kan ernstige gevolgen hebben: zelfhaat, depressieve gedachten over jezelf en de toekomst, agressie tegen jezelf. Tot op het punt, zoals bij Raoul, dat je voor jezelf geen toekomst meer ziet en wilt.

Homo Amicus

Het is een vraag die me al langere tijd bezighoudt: is het zo dat net zoals wij vrienden nodig hebben, we ook vijanden nodig hebben? Of in de woorden van de Amerikaanse psycholoog en essayist Sam Keen, is de mens niet zozeer een homo sapiens, een rationeel denkend wezen, als wel een homo hostilis, een vijandenmaker? En vervult het maken van vijanden een psychologisch belangrijke behoefte, namelijk bewust of onbewust die eigenschappen van ons zelf die we niet waar willen hebben, toedichten aan onze vijanden? Een van de grondleggers van de Verenigde Staten, Benjamin Franklin, heeft in dit verband eens gezegd: ‘heb je vijanden lief want zij vertellen je je fouten’. Moeilijk om je dat bij Vladimir Putin voor te stellen, hem liefhebben en van hem willen horen wat wij niet goed doen. Een van mijn goede kennissen is Rus en al direct na het uitbreken van de oorlog deed hij alle mogelijke moeite mij ervan te overtuigen dat het geen oorlog was maar een militaire rechtzetting en hoe terecht het was dat Putin die was begonnen. ‘”Want de Oekrainers, dat zijn in feite Nazis”. Omdat die gesprekken de nodige spanning teweeg brachten en we dreigden bijna als vijanden tegenover elkaar te komen staan – dat wilde ik per se voorkomen, onze relatie is mij dierbaar – ben ik vervolgens gesprekken over de oorlog  systematisch uit de weg gegaan. We praten verder over van alles, alleen niet meer daarover. Ik heb hem dus ook niet verteld dat een vriendin van mij Oekrajinse vluchtelingen in haar huis heeft opgenomen. Ik wil geen verdere  onvruchtbare meningsbotsingen. Maar onze onuitgesproken wederzijdse vermijding van het onderwerp blijft me bezighouden.  Evenals de vraag welke fouten wij aan onze kant hebben gemaakt dat  het zover is gekomen dat we in oorlog zijn zonder enig uitzicht op hoe we daar ooit weer uitkomen. Ik kan daar geen goed antwoord op vinden. Of het moet zijn, ik voel weerstand het op te schrijven, dat wij de Russen nog altijd zien als een inferieur, achterblijvend volk zien dat onvoldoende beseft dat ook voor hen de Amerikaans-westerse way of life en cultuur de beste is.Terecht toch dat de Oekrainers bij ons willen horen?  Maar dat is natuurlijk superioriteitsdenken. En, meen ik, een  kardinale fout. Zoals het een fout was dat toen in het najaar 1990 in Moskou de eerste McDonald werd geopend, dat hier luid werd toegejuichd als een aanwijzing dat ook de Russen onze cultuur- en consumptiepatronen gaan prefereren. Deze oorlog is daarom  geen evolutionair bepaalde onvermijdelijkheid maar een psychologisch aangestuurd drama waarin partijen, machteloos  om meer te doen dan de agressie van de ander met agressie te beantwoorden, proberen hun morele superioriteit te demonstreren. Het hameren op óns moreel gelijk leidt daarom niet tot vrede, hoogstens tot verdere escalatie. En betekent, mochten wij deze oorlog winnen, dat daarmee het zaad voor de volgende al is gezaaid. Hoog tijd de Russen uit te nodigen met ons samen te werken aan een psychologisch verbeterd menstype, de homo amicus. Ik kom erop terug.

 

 

Image by 41330 from Pixabay

Prietpraatprogramma’s

Al geruime tijd kijk ik niet meer naar de zogenaamde ‘praat’programma’s op TV, een enkele uitgezonderd, ongeacht of ze van de publieke omroep of de commercielen zijn. Dat levert me s’avonds een hoop open creativitijd op evenals verstandiger bedtijden. Maar daar is het me niet om te doen. Ik wil niet langer blootgesteld worden aan wat ik ervaar als de dikwijls belabberde en infantiele invulling en uitvoering van veel van die programma’s. Geadverteerd als talkshows blijkt de voornaamste activiteit het ondervraagd worden door ‘hosts’ van  gasten aan tafel die verondersteld worden de gestelde vragen te beantwoorden en  daarover niet met enige diepgang met elkaar in gesprek of dialoog te gaan. Een aanzienlijk deel daarvan zijn vaste gasten of  voorzover niet vast, toch dikwijls ook in andere TV programma’s optredend. De talkshow is daarmee in feite inteelt-televisie waarin het vrijwel nooit voorkomt dat de ene gast de andere echt inhoudelijk aan de tand voelt en waar ook de hosts vrijwel altijd gespaard worden. Ik heb nog nooit gehoord, hoewel daar vaak alle reden toe is “Wat is dat nou voor maffe vraag!’. De talkshow is een plaats, in de woorden van Joachim Bodamer in zijn prachtige boek De Psychologie van van de Hedendaagse Man:”waar iedereen in het fluidum van de tevredenheid met zichzelf niet ophoudt te betogen dat hij het bij het rechte eind heeft en juist handelt en waar de leuze van de dag als hoogste wereldwijsheid geldt”.  Vandaar die beginvraag in veel programma’s: “Wat is jouw nieuws van de dag?” Terwijl de veel interessantere vraag is: “Wat is er volgens jou niet nieuw aan vandaag?” De filosoof Heidegger was de eerste die onze hedendaagse cultuur als ‘praatcultuur’ bestempelde en wel in de meest oorspronkelijke betekenis van ‘praten’ dat een afgeleide is van het Engelse ‘to prate’ dat wauwelen betekent. “Het is … eigenaardig”, aldus Bodamer over Heidegger’s cultuurtypering,” dat de mens nog nooit zo uitvoerig, grondig en snel over van alles wordt ingelicht maar blijkbaar zijn het juist die overvloed aan gegevens en de behoefte zoveel mogelijk van alles op de hoogte te zijn, die een zelfstandig denken en een echte dialoog practisch onmogelijk maken”. Met de opkomst van de sociale media is dat er niet beter op geworden en de term smartphone is wel het toppunt van cynisme want in plaats van smartness een bron van infantilisme. Het gepraat waar Heidegger het over heeft, is ‘het totaal van alles dat men voortdurend uitkraamt en om in staat te zijn dat allemaal maar klakkeloos te aanvaarden moet men welhaast infantiel zijn. Het gepraat is de mogelijkheid om alles aan te grijpen zonder het te verwerken’. Dat ontslaat ons niet alleen van de taak om werkelijk te begrijpen, maar creert  ook een onverschillige onbegrijpelijkheid waarvoor niets meer ontoegankelijk is. Over alles, inclusief de meest maffe complottheorieen, mag en zal gewauweld worden. Een verrassend tegengif daartegen lijken de komisch bedoelde talkshows, zoals Lubach.  Volgens mijn omgeving leveren die nog de meeste diepgang en de minste prietpraat of lege intellectuele calorieen. We gaan ‘t zien.

 

 

Image by OpenClipart-Vectors from Pixabay