Meer psychologie please

Bladerend door het octobernummer van De Psycholoog, het maandblad van het Nederlands Instituut van Psychologen (NIP) stuit ik op een interview met een student in de klinische psychologie. Geinteresseerd als ik ben in wat jonge mensen er toe brengt voor een studie psychologie te kiezen, besluit ik het artikel te lezen. En vrijwel meteen maakt mijn hart een huppeltje. Want al in de openingszinnen vertelt hij dat wat hem er toe heeft gebracht voor psychologie te kiezen, is dat hij op de middelbare school in het tweede jaar in het kader van een keuzevak psychologielessen van een medewerker van mij en van mij heeft gevolgd: “Na die lessen wist ik het zeker: hier wil ik meer van weten”. Precies dat, het stimuleren van meer willen weten, was ook de motivatie van mijn collega en mij om het lesprogramma te ontwikkelen dat we ‘Psychologisch’ hebben genoemd. ‘Psychologisch’ om te benadrukken dat psychologie als schoolvak logisch zou moeten zijn. Onderzoek toont  overtuigend aan dat naarmate jongeren meer weten en begrijpen van hun eigen psychologische ontwikkeling en die van leeftijdsgenoten, ze zich  beter ontwikkelen, gelukkiger zijn, betere schoolprestaties halen en later als (jong)volwassene minder vaak kampen met psychische en gedragsproblemen, zoals depressie, verslaving en crimineel gedrag. Oftewel, psychologie als schoolvak bevordert de geestelijke gezondheid van jongeren en de volwassenen waartoe ze in volgende jaren zullen uitgroeien. Het maakt ze, in één woord, emotioneel intelligenter. Jongeren die zich meer bewust zijn van hun eigen gevoelens, gedachten en de effecten van hun gedrag, zijn betere piloten van hun eigen leven. Hun vermo­gen zichzelf gerust te stellen of te kalmeren, angst te tolereren, irritatie of aggressie binnen de perken te houden en met somberheid om te kunnen gaan, is groter. Kortom, als we waar willen maken wat wij als samenleving zo vaak roepen, namelijk dat we ‘het beste met onze jongeren voor hebben’, dan ontkomen we er niet langer aan psychologische kennis en vaardigheden tot een kerndoel van ons onderwijsstelsel te maken. En hoe jonger ze die verwerven, hoe langer ze daarvan profijt hebben. De student geeft daar een saillant voorbeeld van. Hij vertelt dat ik in een les  een groepssessie hypnose gaf met als doel elke leerling te laten ervaren wat dat is, wat het kan doen en waarvoor het gebruikt kan worden. Spannend vond hij dat. Maar werd er ook heel rustig van. Sterker nog, het bleek een ervaring die hem in volgende jaren als heel bizonder is bijgebleven: “Ik ben de kalmte die ik toen voelde nooit vergeten.” Dat is wat psychologie-onderwijs voor jongeren kan betekenen, het verschaffen van bizondere kennis en ervaringen waardoor het bewustzijn van hun mogelijkheden, in de woorden van de student “van waartoe de geest allemaal in staat is” toeneemt, alsook het repertoire van vaardigheden waartoe ze hun toevlucht kunnen nemen als zich obstakels of problemen in hun ontwikkeling voordoen. Ik onderschrijf daarom de oproep van deze student van harte: ‘Iedere middelbare scholier moet de mogelijkheid hebben een cursus psychologie te volgen.”

 

 

Photo by Markus Winkler on Unsplash

Leer van iedereen

Luchthaven Valencia, 3 october circa 19.00. Met enkele anderen sta ik voor de incheckbalie voor Amsterdam. Maar volgens iemand van de afhandeling zijn we anderhalf uur te vroeg. De man achter me en ik reageren verbaasd. Volgens onze boekingsbevestiging moet het inchecken al over 30 minuten beginnen. Maar we beseffen beiden dat protesteren hier verspilde moeite is. “Ik hoop niet”, zegt de man, “dat de vlucht ook zo vertraagd is want dan haal ik mijn aansluiting in Amsterdam waarschijnlijk niet”. Nieuwsgierig als ik altijd ben, ga ik over op de vragenmodus. Wat zijn bestemming vanuit Amsterdam is? Los Angeles.  Of hij daar woont? Nee, hij woont in Minneapolis. Mijn nieuwsgierigheid wil dan toch weten wat hij in Los Angeles gaat doen. Als antwoord tilt hij een blauw vierkant  koelbox-achtig  koffertje omhoog en vertelt dat daar stamcellen inzitten. Die heeft  hij in Valencia bij een donorbank opgehaald om in Los Angeles af te leveren voor de behandeling van een patient. Op mijn naieve vraag of hij arts is, luidt tot mijn verbazing het eenvoudige antwoord: “Nee. Vrijwilliger”. Dan krijg ik een verhaal te horen dat diepe indruk op mij maakt. Hij blijkt gepensioneerd, werkte daarvoor als bankier en kijkt op zijn werk daar terug met  gemengde en veelal zeer negatieve gevoelens. “Ik en mijn collega’s hebben al te vaak dingen gedaan, willens en wetens, waardoor mensen financieel en daardoor vaak ook sociaal in ernstige problemen konden komen. Ik kon dat op een gegeven moment niet meer voor mezelf verantwoorden, heb vervroegd pensioen genomen en besloten iets te doen dat mensen helpt in plaats van ondermijnt. Hen hopelijk leven geeft in plaats van afneemt”. En dan, even aarzelend of hij wel zo persoonlijk wil worden: “het werk als bankier is vaak zo stressvol dat je het vaak alleen maar volhoudt, als je je toevlucht tot drugs neemt. Bij mij was dat alcohol. Ik ben een ex-verslaafde. En ben pas wakker geworden toen ik onder invloed een ernstig ongeluk veroorzaakte. Ik had het geluk niemand anders te verwonden, behalve mezelf. Mijn rechterhand en arm zijn daardoor ernstig beschadigd en doen vaak pijn. Maar ik kan en wil die pijn verdragen. Die herinnert me eraan dat ik anderen pijn heb gedaan – en wat goed te maken heb”. Bij het afscheid op Schiphol, net op tijd,  bedank ik hem voor zijn ontroerende openheid. En hij mij daarvoor de gelegenheid gegeven te hebben door vragen en luisteren. Terwijl ik hem vol respect nakijk, vraag ik me af hoeveel onzichtbare goede mensen zoals hij er eigenlijk onder ons zijn. En wat het voor onze houding in de omgang met elkaar zou betekenen als we hen wat vaker zouden vermoeden, willen leren kennen en erkennen? In de taxi op weg naar huis, het is inmiddels middernacht, prent ik mezelf dit weer eens in: ‘‘Ga met zoveel mogelijk mensen, van junk tot barbier, van bankier tot wappie, het gesprek aan. Van iedereen valt wat te leren. Ook al besef je dat niet altijd onmiddellijk”.

 

 

Photo by Airam Dato-on on Unsplash

Lak aan je opa

Mijn kleindochter Nova van 7 zit bij haar moeder, mijn schoondochter, op schoot die haar nageltjes lakt. Roze. Als dat klaar is en Nova nog wat met haar handen wappert om het drogen te versnellen, zegt ze: ‘Nou opa ook!’. “Ik weet niet of opa dat wel wil” antwoordt haar moeder. “Opa weet het zelf ook niet” antwoord ik. Ik zie me niet direct voor mijn studenten of patienten met tien roze vingers in de weer zijn. En ik vermoed dat die, evenals mijn collega’s, daar ook wel even aan moeten wennen en een verklaring van mij zullen wensen. Nova die mijn twijfel deksels goed in de gaten heeft, komt dan heel slim met een compromis. “Doe dan één vinger opa, hebben we toch dezelfde kleur!”. En ze wijst daarbij, overigens in al haar onschuld, op de middelvinger van mijn rechterhand. “Die in ieder geval niet”, reageer ik half geschrokken. “En die ook niet”, wijs ik op mijn wijsvinger. Het wordt dus onherroepelijk mijn rechterpink.  Zorgvuldig gelakt door haar moeder. En eerlijk gezegd vind ik het niet eens lelijk staan. Na een dag of wat ben ik me ook nauwelijks meer bewust van mijn roze pink. Tot de schilder en een collega langskomen om te bekijken welk schilderwerk we aan de voorgevel gedaan willen hebben. Daarvoor wijs ik, ik ben rechtshandig, het een en ander aan. Als ik me op een gegeven moment omdraai, zie ik de twee breed glimlachen achter me en zegt een van hen “Zo te zien  is hier al een schilder aan het werk geweest. “Hoezo?”, reageer ik verbaasd. Dan wijst ie op mijn rechterpink. Waarop zijn collega zegt “wij fluisterden net al even tegen elkaar ‘zou ie soms van geloof veranderd zijn’?” Om zogenaamd gerusstellend te vervolgen met “maar die kleur staat je goed hoor”. “Dat”, zeg ik uit een soort onnodige zelfrechtvaardiging “vind mijn kleindochter ook” en ik leg uit  hoe het op haar aandringen zover is gekomen. Tot mijn verbazing reageren ze beide nu niet spottend, maar oprecht: ,,Wat lief!’’ “Van wie”, vraag ik” “Van allebei, ook van jou” luidt hun antwoord. Grote, stoere mannen als zij zijn maakt het feit dat ze uit zichzelf het woord ‘lief’ in de mond nemen indruk op mij. Zowel omdat het past op het zo bizondere contact tussen grootvaders en kleinkinderen. Maar ook omdat ik er een eigen verlangen achter vermoed. Dat blijkt als ik hen er naar vraag. Beiden van middelbare leeftijd, met volwassen kinderen, met hoop op kleinkinderen en met alle bereidheid zich door hen voor volk en vaderland zichtbaar ook ooit roze te laten lakken. Als ik dat enige tijd later aan Nova vertel is haar reactie dolenthousiast. “Straks willen alle opa’s van de hele wereld wel een roze pink!”. “Maar Nova”, opper ik, “wat als kinderen geen opa hebben?” “O ja”, reageert ze eventjes beduusd. Dan vlamt haar enthousiasme weer op: “Dan gaan we voor die kinderen toch iemand anders zoeken die wel roze nagels wil”.

Sigrid’s land van wantrouwen

Ik zit met stijgende verbazing in mezelf te herhalen wat ze daar zojuist gezegd heeft en vraag me af of ze überhaupt wel in de gaten heeft, hoe schokkend, psychologisch gezien, dat wel is. Ik heb het over wat Sigrid Kaag op 7 september j.l., toen nog demissionair minister, antwoordde op een vraag van Wilders of ze Mark Rutte nog wel vertrouwde: “Ik vertrouw eerlijk gezegd heel weinig mensen. Ik vertrouw mijn man, ik vertrouw mijn eigen familie en een paar vrienden”. En daarmee was het zo ongeveer ook wel gezegd, zo straalde haar houding uit. Ik hoop van harte dat dit een uitglijer van haar was en dat ze in werkelijkheid een veel meer medemensen omvattende basishouding van vertrouwen heeft. Want vertrouwen is de lijm van de samenleving. Het is wat ons aan elkaar hecht. Psychologisch onderzoek laat zien dat de mensen in te delen zijn in ‘vertrouwers’ en ‘wantrouwers’. ‘Vertrouwers’ hebben over het algemeen de verwachting dat ze zich op het gesproken of geschreven woord van anderen kunnen verlaten, terwijl ‘wantrouwers’ in het algemeen verwachten dat ze daar niet op af kunnen gaan. In de volksmond worden degenen die bij voorbaat geneigd zijn anderen op hun woord te geloven, vaak voor naïef, zo niet dom, en gemakkelijk beïnvloed- en oplichtbaar versleten. Diezelfde volksmond zegt ook dat een continue dosis wantrouwen jegens anderen je een hoop ellende kan besparen. Maar is het ook werkelijk zo, dat we het in beginsel vertrouwen van anderen vaak duur moeten betalen? Laat ik een misverstand wegnemen. Mensen die in beginsel geneigd zijn anderen te vertrouwen zijn niet minder intelligent (gemeten op IQ-tests) en ook niet meer suggestibel dan de wantrouwers maar wel gelukkiger. Maar belangrijker nog is dat degenen die geneigd zijn anderen te vertrouwen, meestal ook zelf te vertrouwen zijn. Het omgekeerde blijkt ook waar: degenen die er vanuit gaan dat anderen over het algemeen niet te vertrouwen zijn, blijken zelf minder te vertrouwen en vaker onwaarheid te spreken. Het spreekwoord ‘zoals de waard is vertrouwt zij haar  gasten’ blijkt wetenschappelijk gezien dus correct te zijn. Bovendien blijkt dat als de waard haar gasten niet vertrouwt, zij een groter risico loopt door diezelfde gasten te worden opgelicht dan een collega die wel goed van vertrouwen is. En dan is er nog deze verontrustende vraag. Is het feit dat Kaag naar eigen zeggen maar zo weinig mensen vertrouwt een symptoom van hetzelfde basale a priori wantrouwen dat onder politici en ambtenaren in ons land jarenlang heeft geheerst jegens talloze burgers en dat onder meer tot de toeslagenaffaire heeft geleid? Kortom Sigrid, vertrouwen of niet is een keuze, met enorme gevolgen. Ik sluit me aan bij de keuze in deze van Henry David Thoreau (1817-1862), schrijver van Walden, het beroemde boek over zo natuurlijk mogelijk leven: ,,We moeten een oneindig vertrouwen in elkaar hebben. Als we het niet hebben, moeten we niet laten blijken dat we het niet hebben. Het leven is te kort voor lang wantrou­wen”.

 

 

Foto (C) Ministerie van Buitenlandse Zaken onder licentie: https://commons.wikimedia.org/wiki/File:Sigrid_Kaag_in_2018_(cropped).jpeg

De angst is niet weg

Sinds vorige week is het koor waar ik lid van ben na zo’n anderhalf jaar opschorting weer met gezamenlijke repetities begonnen. Dat ben ik blij om. Ik vind koorzang magisch mooi om te doen en om naar te luisteren en heb het oefenen en uitvoeren zeer gemist. Niettemin, toen ik plaats nam in de zaal met tientallen andere koorleden, netjes op anderhalve meter ingedeeld dat wel en voor zover ik kon beoordelen voldoende geventileerd, voelde dat toch onwennig, om niet te zeggen ongemakkelijk. Dat gevoel werd versterkt toen de koorleider/dirigent na een hartelijke verwelkoming met adem- en stemoefeningen begon. In mijn verbeelding zag ik uit tal van monden concentraties virusdeeltjes de zaal invliegen. Ik probeerde me gerust te stellen door me vast te klampen aan het feit dat ik  gevaccineerd ben en dus weinig te vrezen heb. Dat hielp even.  Maar angst laat zich niet zo gemakkelijk het zwijgen opleggen. ‘Er is ook nog zoiets’, zo fluisterde het mij in, ‘als de deltavariant en wie weet biedt Pfizer daar onvoldoende weerstand tegen’. Af en toe een blik werpend op medekoorleden vroeg ik me af of zij door soortgelijke gedachten geplaagd werden. Maar dat liet zich niet van hun gezichten aflezen. Al helemaal niet toen we een eerste koorwerk gingen instuderen. Ik besloot daarom er ook maar voluit voor te gaan. Drie kwartier later, toen de pauze aanbrak, was ook bij mij de angstban verbroken: ‘Waar heb ik me eigenlijk druk over zitten maken, ik leef nog, voel geen covid-symptomen, ben er redelijk tegen beschermd, geniet van wat we hier doen en voel een zekere tevredenheid over het genomen hebben van de stap weer in te stappen’. Later die avond naar huis rijdend overdacht ik hoezeer mijn leven, en naar ik veronderstel dat van veel mensen, wordt beheerst door angsten. Voor pandemieën, ziekten, klimaatrampen, ongelukken, geweld, onveiligheid, armoede, afwijzing, vereenzaming, verlies van dierbaren, eigen dood, enz, enz. Begrijpelijk dat een van onze meest fundamentele verlangens het verlangen naar een angstvrij bestaan is. Maar bestaat er zoiets? Nee, luidt het antwoord daarop van mijn favoriete dichter, Wystan Auden (1903-1973) die in 1948 de Pulitzer prijs voor poëzie kreeg voor een boeklang gedicht getiteld The Age of Anxiety (‘Het tijdperk van de angst’). Hij was aan het gedicht begonnen halverwege WWII maar voltooide het pas jaren daarna. Die waanzinnige oorlog was dan wel over, de verschrikkelijke vijand verslagen, maar daarmee was de angst niet alleen niet weg. Mogelijk was die zelfs toegenomen. Want die had andere bronnen. Zoals het niet meer te verdringen besef hoe beïnvloedbaar en kwetsbaar wij mensen zijn en hoe verschrikkelijk we ons ten opzichte van elkaar kunnen gedragen. Was WWII in wezen niets anders geweest dan een onvoorstelbare variant op WWI – getuige onder andere de holocaust – waartegen de wereld in de tussenliggende decennia geen vaccin had weten te ontwikkelen? Of confronterender gevraagd, komt onze bestaansangst niet van het denken over de toekomst  maar van onze terechte twijfel die te kunnen sturen?

 

 

Photo by Omar Flores on Unsplash

De wereld ten onder?

Hoe klein ik ook was, ik kan de herinneringen aan die verschrikkelijke nacht en ochtend van 31 januari op 1 februari 1953 nog altijd bijna filmisch weer oproepen. Buiten raast onophoudelijk de storm. Binnen zit ik klaar wakker en gespannen als een veer op mijn kinderbed te luisteren naar wat mijn vader vertelt. In Zeeland zijn de dijken doorgebroken en sleurt het zeewater alles mee dat het op zijn weg tegenkomt: huizen, vee, mensen. Het gevaar bestaat dat ook hier in Friesland de dijken het zullen begeven, zegt hij. Ik zie in gedachten grote grijze watergolven op ons huis afkomen en even later een enorme watervlakte waar alleen nog het dak van ons huis  boven uitsteekt. Later zou ik te horen krijgen dat ik als kind sindsdien als het stormde me vaak in mezelf terugtrok, als het ware bevroor en pas weer aanspreekbaar werd als het over was. Alsof een wereldondergangsgevoel zich een tijdlang van me meester maakte. Eenmaal volwassen verdween die angstreactie vrijwel restloos. Hoewel, onlangs dreigde ze weer enigzins de kop op te spelen. Door twee prikkels. Een is het rapport van het VN Klimaatpanel (IPCC) dat vorige maand werd gepubliceerd en waarvoor honderden wetenschappers uit 66 landen ruim 14.000 onderzoeken hebben geanalyseerd. Daarin wordt gesteld dat het al te laat is om allerlei rampzalige klimaatontwikkelingen op  korte termijn – we spreken over eeuwen – terug te draaien. Zoals intensere  hittegolven, vrijwel onbedwingbare natuurbranden,  uiterst zware regens,  tropische cyclonen en orkanen, versneld smeltende ijskappen, steeds snellere stijging van de zeespiegel en ,als gevolg daarvan, watersnoodrampen. Konden we de watersnoodramp van ’53 nog wijten aan een ongelukkige samenloop van omstandigheden, zoals de combinatie van een stormvloed met springtij, de klimaatrampen die zich nu steeds omvangrijker en dodelijker voltrekken, zijn inmiddels onweerlegbaar, ons eigen toedoen. De tweede prikkel betreft berichten over een verhoogd risico  op  burn-out, angst- en depressieve klachten en heuse depressies bij de klimaatonderzoekers. Als dat het gevolg is van hun conclusie dat ze ondanks al hun inspanningen en waarschuwingen het publieke en politieke tij niet hebben weten te keren en het oplossen van de klimaatcrisis inmiddels een hopeloze onderneming is geworden, staat het er inderdaad allerberoerst voor. Maar met hopeloosheids- en wereldondergangsgevoelens redden we deze planeet niet. Dat doen we mogelijk wel door zulke angsten  met de psychologische middelen die we daartoe hebben, zoals psychotherapie, meditatie, relaxatie en omdenken het hoofd te bieden en mede op geleide daarvan de crisis actief te lijf te gaan. Allereerst in onze directe omgeving door met anderen – buurt, familie,werk, school – erover in gesprek en waar mogelijk tot kleinere (minder vlees, geen plastic) en grotere (zo weinig mogelijk ‘fossiel’ reizen) acties over te gaan. Natuurlijk stoot je daarbij op klimaatcrisis-ontkenners. Mijn antwoord aan hen is dat als ik inderdaad mijn oude wereldondergangsgevoel niet het laatste woord wil geven, ik me zowel verplicht tot optimisme als  activisme. Erop vertrouwend dat de wereld ondertussen niet zal ondergaan. Mocht dat desondanks toch gebeuren, so be it.

Denken is danken

Het is een vraag die ik me de afgelopen dagen herhaaldelijk heb gesteld tijdens het NOS-journaal of Nieuwsuur. Wat is de zin van zitten kijken naar de doffe ellende die daar in Afghanistan over talloze medemensen wordt uitgestort? Gaat het louter om geinformeerd worden over hoe het daar aan toegaat? Maar waarom zouden we daarover geinformeerd moeten worden want we hebben geen enkele invloed op wat daar gebeurt? Of is het niets anders dan botte, nutteloze nieuwsgierigheid naar hoe de ellende die andere mensen treft er precies uitziet? Of, nog botter, is het in wezen een vorm van ramptoerisme? Dezelfde drijfveer die nog maar kortgeleden velen aan de beeldbuis deed kluisteren of zelfs in de auto stappen om maar zo weinig mogelijk te hoeven missen van de overstromingen in Zuid-Limburg? Of misschien nog erger, is het willen kijken naar de ellende van anderen voor ons emotioneel nuttig want geruststellend in de zin van ‘gelukkig blijft ons dat bespaard’?. De reactie van velen op de gestelde vragen zal ongetwijfeld zijn dat ze kijken omdat ze met de mensen in dat rampzalige Afghanistan van doen hebben. TV-kijken als een  demonstratie van empathie zeg maar. Alleen hebben die mensen daar er niets aan. Wij hebben als kijker dan misschien wel met ze te doen, maar we doen niets voor ze. Kortom, er lijkt geen goede, zinvolle reden te bedenken waarom we in de veiligheid van onze huiskamers en op duizenden kilometers van waar het allemaal gebeurt, over andermans ellende geinformeerd zouden moeten worden. Die ellende daar wordt er niet minder van en voor ons gedrag hier heeft het vooralsnog geen betekenis. En toch, meen ik, resteert er één goede, zinvolle reden om ons wel aan de ellende in de wereld te blijven blootstellen. Die reden is, hoe gek het ook klinkt, dankbaarheid. Bedenk dat er in wezen geen enkele reden is waarom de ellende die anderen treft, vroeg of laat ook niet ons zou kunnen treffen. Om dicht bij de actualiteit te blijven. Een aanslag als op de luchthaven van Kaboel afgelopen week, kan ook hier plaatsvinden. Kijkend naar de ellende die daardoor is aangericht, hebben we alle reden om het toeval of God of ons karma of welke andere factor dan ook dankbaar te zijn dat het ons (nog) niet is overkomen. Psychologen hebben de afgelopen jaren een groot aantal studies uitgevoerd naar de invloed van de houding van dankbaarheid op psychische gezondheid en gedrag. Zo blijkt het bijhouden van een ‘dankbaarheids-dagboek’ – het een tijdlang iedere dag (tenminste drie) dingen opschrijven waarvoor je anderen of het leven dankbaar bent – een langdurig sterk effect te hebben op onze psychische gezondheid, geluksgevoelens en hulpvaardigheid jegens anderen. Er is zelfs geen (persoonlijkheids)eigenschap  die zozeer samenhangt met welbevinden en generositeit/gulheid dan de bereidheid of neiging (regelmatig) je dankbaar te tonen. En geloof het of niet, dankbare mensen blijken doorgaans meer of beter na te denken dan ondankbare. Blijkbaar  is het volgende gezegde toch heel erg waar: denken is danken.

Groetgebrekkige samenleving

Meerdere keren in de week kom ik hem tegen op mijn late avondwandeling door de wijk. Hij hond aan de lijn, ik loslopend. We groeten elkaar steevast met “goedenavond” en vervolgen zonder verder enige toevoeging onze weg. Zo gaat het al jaren en het voelt ook al jaren goed zo. Alsof we door enkel die éénwoordige begroeting al aan elkaar bevestigen dat we hier horen en elkaar respecteren. Onbekenden die elkaar toch niet als vreemden ervaren. Er zijn meer mensen in de buurt waarmee het ongeveer zo gaat. En ja, een goede buurt of wijk bestaat, naast uitgebreidere contacten tussen sommigen, ook bij de gratie van dit soort minimale positieve uitwisselingen tussen anderen. Zonder zouden we vermijders van en daarmee vreemden voor elkaar blijven. Bovendien, hoe minimaal de verbinding soms ook is, daarin ingevouwen sluimert niettemin potentie tot meer contact indien ooit nodig of welkom. Enige tijd geleden werd een huis verderop in mijn straat door een nieuw gezin betrokken. Een tijdlang was mij niet geheel duidelijk wie daar toe behoorden. Op een dag, wandelend door het park in de buurt, zag ik een vrouw aankomen waarvan ik het idee had dat ze weleens de moeder kon zijn en we elkaar ooit op afstand gegroet hadden. Op het punt elkaar opnieuw zo te passeren, besloot ik het erop te wagen. “Mag ik je wat vragen? Kan het zijn dat wij onlangs buren zijn geworden?” Waarop ik haastig  uitlegde waar ik woon en welk huis ik dacht dat mogelijk het hare is. Als bij toverslag veranderde haar uitstraling en kwam een geanimeerd gesprek op gang. Maar toen we ieder onze weg wilden vervolgen, was ze voor mij toch nog altijd naamloos. Ik had het wel overwogen maar niet durven vragen hoe ze heette. “Ik ben René” riep ik haar daarom achterna. “En ik ben Marjolein!”, riep ze luidkeels sympathiek terug. Sindsdien, als ik haar in de verte zie of tegenkom, zie ik geen vreemde meer. Van naamloos is ze een kennis, figuurlijk en letterlijk, geworden en de enkele keer dat we elkaar nu tegen komen, spreek ik haar met naam en zonder enige ‘vreemdelingen’spanning aan. En inderdaad blijkt uit een reeks van studies dat groeten van of praten, hoe minimaal ook, met ‘vreemden’ uit onze omgeving, ons meer ontspannen, verbonden, veiliger, vertrouwensvoller en gelukkiger doet voelen. Maar als dat een vastgesteld feit is, waarom doen mensen dat dan niet veel vaker? De antwoorden op die vraag zijn nogal ontnuchterend. Velen van ons hebben de neiging vreemden in eerste instantie als obstakels te zien, waar je maar beter zoveel mogelijk afstand van houdt. Die neiging is door Corona nog eens versterkt. En dan heerst er ook nog die andere pandemie, die van de smartphone, waardoor we op straat steeds minder oog en oor voor elkaar hebben. Over groetgebrekkige samenleving gesproken! Ik overweeg daarom in mijn wijk hier en daar borden geplaatst te krijgen met deze tekst: “Groet! Niet omdat het moet, maar omdat het zoveel doet”.

 

 

Photo by Pascal Müller on Unsplash

Verander de Spelen

Daar staan ze op de trappen van Paleis Noordeinde, de 36 medaillewinnaars van Tokyo. Glimmend,trots, toegejuichd, zelfs door koning, koningin en minister-president. Ik zoek bij mezelf naar een brokstukje jaloezie – ‘zou ik daar ook willen staan?’ – maar ik vind het niet. Ik gun ze hun succes van harte, voluit. In de  voorafgaande dagen heb ik ze nu eens in tranen van vreugde na winst, dan weer van verdriet na verlies gezien.Oprechte emoties die duidelijk maken dat het hier niet gaat om oppervlakkige, gespeelde of hysterische uitingen maar om het na veel inspanning en spanning al dan niet bereiken van een langverlangd doel. Overwinnings- en verliesemoties, uitingen van  een universeel verlangen dat diep in onze biologie en psychologie verankerd moet zijn. Ooit door de antropoloog Ernst Becker in zijn prachtige boek “De ontkenning van de dood als drijfveer van het menselijk handelen”, winnaar van de Pulitzerprijs in 1974, als volgt omschreven: “Het verlangen om op de een of andere manier een held of heldin, een wezen van bizondere waarde  in de eigen groep te zijn”. Het is voor dat verlangen dat 3000 jaar geleden al Olympische Spelen georganiseerd werden. En nog altijd zijn ze het toneel voor hoge heroiek, het podium bij uitstek om je van gewone mensen te onderscheiden. Dichter bij de Goden te komen volgens de oude Grieken. Het Oudgriekse woord voor held is heros, dat letterlijk  halfgod of -godin betekent. De Olympische winnaar levert een ‘heroische’ prestatie en is daardoor geen gewoon mens meer, weliswaar ook geen God, maar iets daar tussenin. Maar als de drang tot heroiek universeel is en Olympische podia om dat op te bewijzen maar voor heel weinig mensen bereikbaar zijn, hoe zit het dan met de rest van ons ‘ordinaire’ aardbewoners? Blijft ons heroisch verlangen per definitie onbevredigd, en daarmee ook ons leven in zekere zin? Becker wijst erop dat een van de functies van cultuur in samenlevingen als de onze is status en rollen te bieden waarmee verschillende graden van heroiek en waardering verbonden zijn, varierend van Olympische prestaties tot vrijwilligerswerk. Maar hij wijst er ook terecht op dat er met die hoogste, die Olympische, iets mis is. Want die gaan niet over ‘heel de mens’, zoals sportbonzen altijd beweren, maar enkel over zijn fysieke prestaties. Intellectuele vaardigheden als schaken en dammen zijn nog altijd geen Olympische sporten. Dat geldt nog sterker voor psychologische vaardigheden als geheugenkracht, stressweerbaarheid, sociaal-emotionele probleemoplossings- en hulpverleningsvaardigheden, en empathie. Allemaal vaardigheden die goed te oefenen, te meten en mee te wedijveren zijn en die minder egocentrisch of zelfverheerlijkend zijn dan de fysieke vaardigheden op de gangbare Olympische Spelen, en ze daarom in psychologisch en moreel opzicht overtreffen. Dat de Oude Grieken niet verder dan fysieke Spelen zijn gekomen, is nog daaraan toe. Maar dat ook wij 30 eeuwen later nog altijd niet veel verder gekomen zijn dan fysieke heroiek is beschamend. Hoog tijd te besluiten dat Tokyo de laatste keer is geweest dat ze op deze ouderwetse manier zijn georganiseerd.

 

 

Photo by Nicolas Hoizey on Unsplash

 

Duurzaam liefdevol

Begin juli vroeg ik lezers hun opvattingen te delen over wat een relatie of huwelijk duurzaam gelukkig  maakt. De allereerste lezer die mij daarover mailde, begon zijn reactie op de volgende opmerkelijke manier: ‘Als mensen een  huwelijk met elkaar aangaan, dan doen ze  meestal alsof dat voor altijd is: ‘tot de dood ons scheidt”. Raar toch? Waarom niet in eerste aanleg  afspreken voor  vijf of tien jaar, met de mogelijkheid tot (cont(r)actverlenging als beiden het daar mee eens zijn? Dan hoeven we ook niet zo’n ophef te maken in geval van scheiding want die optie heb je dan ingebouwd.’ Ik neem aan dat een andere lezer die schreef ‘Streef niet naar duurzaamheid in een relatie, maar naar kwaliteit’, in wezen hetzelfde bedoelde.  Dat heeft beide lezers er overigens niet van weerhouden om, net als veel anderen, ook deels wetenschappelijk te onderbouwen kenmerken van duurzaam gelukkige relaties op te sommen. Een kleine selectie met enkele kanttekeningen. (1) Communicatie. In een duurzaam gelukkige relatie is altijd ruimte voor dialoog, waarbij alles besproken of op de agenda gezet mag worden. Ook als een van de partners iets niet leuk vindt om te horen of het liever ergens niet over heeft. Kanttekening: besef wel dat hoe goed je relatie is, mede afhangt van je besluit dingen niet te zeggen (“ik denk vaak, was jij maar net zo slank als de buurvrouw/man..”). (2) Attentheid: denk aan bizondere dagen (zoals trouwdag) of gebeurtenissen (zoals sterfdag van ouder, kind of andere familielid) en maak herinneringen daaraan, gevoelens daarover en eventueel geschenken die daarbij passen tot onderwerpen van uitwisseling. Kanttekening: als je partner een belangrijke gebeurtenis vergeet, geef hem of haar dan toch altijd de mogelijkheid tot ‘wiedergutmachung’. Daarmee hangt een ander belangrijk kenmerk samen: (3) vergevingsgezindheid. Ga elkaar kritiek geven niet uit de weg, maar geef daarbij wel aan hoe de ander je tegemoet kan komen. Bijvoorbeeld: ‘Ik baal ervan als je laat thuiskomt, het zou helpen als je het me wel even laat weten.’ Kanttekening: toon je erkentelijk als je partner zich daarvoor inspant en vergevingsgezind als hij/zij soms toch in de fout gaat. (4) Fairness. Afspraken over huishoudelijke taken, opvoeding, werk, vrije tijd, relaties met anderen en financiën zijn in overleg gemaakt, worden niet eenzijdig gewijzigd en als fair, als eerlijk, ervaren. Mijn kanttekening: check regelmatig bij elkaar of dat inderdaad nog zo is. En (5). Een duurzaam liefdevolle relatie rust op de pijlers: betrokkenheid ( je spant je in voor elkaars wel en wee en persoonlijke ontwikkeling); emotionele intimiteit (je  vraagt  naar en deelt positieve en negatieve gevoelens en ervaringen en gaat daar respectvol mee om); en hartstocht of sensualiteit. Je koestert lichamelijk contact met je partner en besteedt zorg aan je lichamelijke aantrekkelijkheid voor je partner(gewicht, gezondheid, hygiene). Ik kom  nog terug op hulpmiddelen je relatie op deze kenmerken preciezer te ‘diagnosticeren’ maar sluit hier af met een treffende variatie op een uitspraak van de schrijver Maurois: “Een gelukkige relatie is een lang gesprek dat altijd te kort duurt”

 

 

Photo by Hector Reyes on Unsplash