Over lafheid gesproken

Afgelopen maandag na een on-line overleg met een collega van Harvard waarmee ik een training geef aan Nederlandse universiteitsdocenten, vroeg ze, me Gelukkig Pasen wensend, of ik “christian” ben. Ik heb naar waarheid geantwoord dat ik weliswaar christelijk ben opgevoed maar eigenlijk niet goed meer weet wat ik ben. Een onzekerheid die in de Paasweek voelbaarder is dan anders. Waarschijnlijk omdat ik een groot liefhebber ben van de matthäus passion en omdat de bijbelverhalen rondom Pasen een waarachtigheid hebben die mij als mens en als praktizerend psycholoog diep treffen. Zoals de psychologie van het verraad (Judas), van het onrecht (Pilatus en de Joodse Hogepriesters), van de verloochening van je medemens (Petrus: ‘ik ken die mens die niet’), of van de weigering een ander in lijdensnood te helpen tenzij je daar toe gedwongen wordt (Simon van Cyrene). Maar wat me nog meer dan elk van deze aspecten afzonderlijk  bezighoudt, is dat ze gezamelijk de meest ongunstige menseljke geneigdheid vormen. Dat is lafheid. Verraad, verloochening, onrecht en het ontbreken van hulpvaardigheid zijn evenzovele symptomen van lafheid. Effect  daarvan is dat de ene mens of de ene groep mensen de andere in de steek of aan het lot overlaat uit gewin, egoisme, onverschilligheid of angst. Nog altijd staat mij op een pijnlijke manier bij, vooral als ik de matteus bijwoon, hoe ik me zelf ooit uit angst op zo’n manier gedroeg. Ik was uitgezonden door Wereld Gezondheids Organisatie (WHO) naar de Cambodjaanse vluchtelingenkampen op de grens van Thailand en het door Vietnam bezette Cambodja. Als vanuit die kampen door verzetgroeperingen s’nachts de Vietnamezen werden aangevallen, beantwoordden die dat de volgende dag met beschietingen op de kampen. De eerste keer dat mijn escorte en ik dat meemaakten, wisten we niet hoe snel we uit het betreffende kamp naar een veilige verzamelplaats buiten het kamp moesten komen we. Vrijwel voor onze ogen zagen we hoe een moeder en haar zoontje door het vuur werden getroffen. Ik herinner me het niet meer, maar volgens mijn escorte heb ik uit de jeep stappend en lijkbleek, lopen schelden en tieren en dingen geroepen als ‘dit is een volstrekt zinloze missie, ik blijf hier geen dag langer, ik geef mijn opdracht aan de WHO terug’. Dat ik dat niet heb gedaan, is voor het gevolg geweest van een gesprek dat ik s’avonds had met een lid van mijn team ter plaatse, een Cambodjaanse arts. “Je voelt je schuldig en laf doordat je je zelf in veiliheid heb gebracht en tegelijkertijd al die vluchtelingen in dodelijk gevaar achtergelaten. Als het goed is ben je daar ook boos over, woedend zelfs. Ook op jezelf. Gebruik die boosheid. Niet om opnieuw weg te rennen, dit keer naar de veiligheid van Genève. Maar juist om zoveel mogelijk te doen wat je hier wel kun doen”. Ik ben inderdaad gebleven en herhaaldelijk teruggekomen en heb besloten dat angst, dat lafheid, in mijn leven nooit het laatste woord mogen hebben. Kortom, Christelijk of niet, voor mij is de Paasboodschap: opstaan tegen of uit je angst.

 

 

Photo by Francesco Alberti on Unsplash

Leeftijd en liefde

Er zijn weinig dingen die zoveel indruk op mij maken als de bereidheid van mensen om vrijwel alles op te offeren voor een  liefde. Ooit werd aan een van onze ‘grote’ schrijvers, Bernlef, 73-jaar oud, gevraagd, wat hij nog van het leven zou willen. Zijn antwoord was ontroerend eenvoudig: “Een grote liefde”. Gevraagd wat hij daarvoor over zou hebben was zijn antwoord  gevaarlijk eenvoudig:”Alles”. Dat klinkt pathetisch of overdreven. En dat is het ook in de meest oorspronkelijke zin van het woord. De pathos, de hartstocht, heeft het hier voor het zeggen. Waar dat het geval is, ontstaat er bij veel mensen een gedrevenheid die sterker is dan enig andere. Ik heb een vriendin die ruim de tachtig is gepasseerd en al jaren weduwe. Zowel vóór, tijdens als na haar huwelijk heeft ze altijd gezocht naar die ene grote, alles verterende liefde. Die leek ze tenslotte gevonden te hebben in een relatie met de man van haar beste vriendin. Maar nauwelijks waren ze een relatie begonnen of hij overleed. Als ze nu over hem praat, dan vallen er uitdrukkingen als ‘me volkomen vrij bij hem voelen’, ‘hij hoefde mij maar aan te raken en ik was willoos verkocht’, ‘ik was in gedachten de hele godsganse dag met hem bezig’, ‘zijn stem alleen al riep  rillingen in mij op’.  Overdreven? Klef? Klinkt inderdaad zo. Toch was ze in haar werkzame leven een broodnuchtere, bijna boekhoudkundig denkende vrouw geweest. Niettemin zei ze altijd bereid te zijn geweest voor een grote liefde alles op te offeren. Ik geloof haar. Ze vertelde me onlangs nog altíjd bereid te zijn alles in haar leven op te offeren om nog eens zo’n liefde te beleven. Ik geloof haar. Maar ze vertelde ook dat ze zich schaamt zoiets uit te spreken. En dat geloof ik helemaal. Want eigenlijk past het niet langer om als je in een oud lichaam rondloopt nog zulke verlangens te hebben. Al helemaal niet, zegt zíj, als je vrouw bent. Ze zegt daarom een zekere boosheid op de natuur te voelen die je zulke streken levert: je lichaam laten aftakelen en onaantrekkelijk maken en tegelijkertijd je liefdesverlangen springlevend houden. Haar boosheid neemt soms de vorm aan van jaloezie op jongere mensen, de twintigers die met hun nog mooie rijpe lichamen voor liefdeservaringen verkiesbaar zijn waarvoor zij allang geen kandidate meer is. Een enkele keer, als ze op een (familie)feest is waar gedanst wordt, probeert ze even aan haar verlangen toe te geven door,  als ze dat onopvallend kan regisseren, te dansen met een jongere aantrekkelijke man. Maar eenmaal op de dansvloer kijkt ze als een hoofdschuddende toeschouwer naar zichzelf. Ik vroeg haar laatst of ze denkt dat veel oudere mensen  met hetzelfde innerlijke conflict worstelen. “Weet ik wel zeker”, was haar antwoord. “En ik weet ook wel zeker”, voegde ze er aan toe, “dat veel oudere mensen eerder aftakelen of doodgaan omdat er geen grote liefde meer voor ze in het verschiet ligt. Wat een rotstreek van de natuur eigenlijk!”

Camouflage als wapen

Als het interview met mij is afgelopen en zij als volgende gast aan de praatshowtafel wordt uitgenodigd, komt ze recht tegenover me te zitten. Het gesprek met haar dat volgt gaat voornamelijk over een rechtszaak die ze voornemens is te voeren tegen  roddelbladen. Ook een soort van oorlog maar dan met woorden en camouflage als wapens. Terwijl ze aan het woord is, bekijk ik haar met enige verbazing en komt bij mij de vraag op: “Wat is er nog echt aan haar”. Ze heeft haar haar verlengd met extensions, haar wimpers met kunstwimpers, haar nagels met plaknagels en, klein van stuk als ze is, haar lichaamslengte zo bleek terwijl ze aan tafel plaats nam, met indrukwekkende stilettos. Ze heeft haar lippen laten verdikken met inspuitingen, haar wangen en voorhoofd vrijwel zeker laten verstrakken met fillers of botox. Ik durf niets met stelligheid te zeggen over haar borsten. Die kan ik van buitenaf en zonder nader onderzoek moeilijk beoordelen maar ze lijken me ingrijpend aan- of opgevuld. Ik vermoed dat ook van haar gebit. Wat ik zeker wel kan beoordelen is dat de kleuren die ze op heeft niet oorspronkelijk zijn. Dat geldt voor de kleur van haar haar, het licht roze van haar wangen, het zwart rondom haar ogen en het rood van haar lippen. Toegegeven, het geheel maakt geen onaantrekkelijke indruk. Maar wat een werk moet het  s’ochtends zijn als alles er op moet!. En s’avonds, als het er weer af of uit moet!. Waarom doe je als vrouw voortdurend al die moeite voordat je je aan de buitenwereld wilt of durft blootgeven. Na afloop, tijdens een overigens heel plezierig gesprek met haar, vraag ik me op een gegeven moment af hoe ze er uit ziet zonder al die camouflage toeters en bellen en aan welke versie ik de voorkeur zou geven? Eenmaal thuis mijmer ik nog een tijdlang over die vragen en ook over de vraag welk percentage van de vrouwen in minder of meerdere mate doet wat zij doet en wat in de sociale psychologie wordt aangeduid met de term ‘Impression management’, het zoveel mogelijk managen van de indruk die je uiterlijk op anderen wlt maken. Uit een Amerikaans onderzoek blijkt dat zo’n 44% van de vrouwen niet de buitenwereld in wil gaan zonder make-up of ‘verlengingen’. Daarvoor blijken twee beweegredenen.  Een is inderdaad camouflage. Onzekerheid of angst over eventuele imperfecties in het eigen uiterlijk wordt gecamoufleerd door make-up, verlengingen of andere aanvullingen. Het andere is verleiding, opgemerkt of gezien te worden, door anderen maar ook door zichzelf, als aantrekkelijk en als neveneffect daarvan zich zelfverzekerder voelen en assertiever of sociaal actiever te kunnen gedragen. Ik ken geen soortgelijk onderzoek in ons land maar verwacht dat het betreffende percentage niet veel lager zal liggen. Denk alleen maar aan de journaalpresentatrices. Die presenteren absoluut nooit op platte schoenen. Ze móeten altijd de hoogte in. Blijkbaar zijn zij en talloze andere vrouwen het eens met zangeres Dolly Parton: “er is niet zoiets als natuurlijke schoonheid”.

 

 

Photo by Sam Moqadam on Unsplash

Einstein, Freud en Oorlog

1933, het jaar waarin Hitler kanselier van Duitsland wordt en het eerste concentratiekamp, Dachau, wordt geopend, verschijnt op initiatief van de Volkerenbond, de voorloper van de Verenigde Naties, een boekje van nauwelijks 60 pagina’s, waarin afgedrukt de tekst van een eenmalige briefwisseling. En wel tussen twee van de beroemdste geleerden van het moment, de natuurkundige Albert Einstein en de psycholoog Sigmund Freud. Hun brieven gaan over niets minder dan deze, ook vandaag nog, uiterst klemmende vraag: “Warum Krieg?”, “Waarom Oorlog”. In zijn brief spreekt Einstein de hoop uit dat Freud als psycholoog kan uitleggen hoe het in hemelsnaam mogelijk is dat steeds weer een minderheid van machthebbers de grote massa van een volk zo weet op te hitsen, dat ze bereid is middels oorlog zichzelf op te offeren. Vreselijk leed te lijden en verliezen te ondergaan of aan anderen toe te brengen op manieren die alle trekken van razernij hebben. Om dan zelf het antwoord te geven. ‘Dat kan slechts omdat in mensen een behoefte leeft te haten en te vernietigen, en er leiders zijn die aan die behoefte middels oorlogen een uitlaatklep bieden’ en daaraan hun macht ontlenen’. Oorlog als lustvolle driftbevrediging. Freud sluit zich bij deze opvatting aan. De onbeschrijfelijke haat en vernietigingsdrang, die zich in tal van oorlogen manifesteert, maakt het onmogelijk nog langer het standpunt te verdedigen dat de mens eerst en vooral is geschapen als een levensdriftig en constructief wezen. Dat zijn  we ook. Maar we blijken onder bepaalde omstandigheden evenzeer haatdragende, doodsdriftige en destructieve wezens te kunnen worden. Oorlog brengt het beste en het slechtste in ons boven. Zoals wij lust kunnen beleven aan het scheppen en beschermen van mensen, objecten en leven, zo kunnen we ook lust beleven aan het vernietigen of kapotmaken ervan. In Oekraine, evenals in oorlogsgebieden elders in de wereld, lopen tal van strijders rond die gewoonweg platte lust beleven aan het kapot schieten van steden, huizen, monumenten, mensen, kinderen. Aangevoerd door leiders voor wie hetzelfde geldt en die niet ophouden tegenstanders als onmensen of ongedierte te (laten) vertrappen of verdelgen. De lust die daaruit wordt gehaald, kan zo’n sterke drijfveer zijn dat de daders zelfs bereid zijn daarvoor hun eigen leven in de waagschaal te stellen. In een aparte publicatie over die twee tegengestelde driften in de mens – de levensdrift en de destructie- of doodsdrift, geeft Freud een griezelige verklaring voor het bestaan van de laatste. Afloop van alle leven is de dood. Al het levende, al het organische, al het geordende is voortgekomen uit het levensloze, het anorganische, het ongeordende, uit chaos. De dood, het levensloze, was er dus eerder dan het levende en vroeg of laat moet al het levende weer naar die levensloze oertoestand terugkeren. De huiveringwekkende conclusie hieruit is dat de doodsdrift of Thanatos en niet de levensdrift of Eros het laatste woord op deze planeet zal hebben. Voor miljoenen Oekrainers zal dat nu al zo aanvoelen. Maar ik weiger, in weerwil van Einstein of Freud, me bij die eindconclusie neer te leggen.

 

 

Photo by Maks Key on Unsplash

Red Oekraïne en ons geweten

Op 19 april 1943 werd via een clandestiene radiozender deze smeekbede herhaaldelijk de wereld ingezonden: “De laatste 35.000 mensen in dit getto zijn veroordeeld tot executie. De stad is één zee van echo’s van geweerschoten. De mensen worden vermoord. Weerloze vrouwen en kinderen”. “Red ons!” De wereld heeft er niet op gereageerd, er het zwijgen toegedaan. Volledig aan hun lot overgelaten besloten de Joden in het getto van Warschau zichzelf en hun dierbaren te verdedigen met alles wat los of vast als wapen kon dienen, molotov cocktails inbegrepen. Tot de dood toe vechten tegen een hen met ijzeren vuisten omringende SS-overmacht. Bijna 4 weken lang, vrijwel zonder basisvoorzieningen als voedsel en water, wisten ze stand te houden tegen een vijand die alles op haar weg vernietigde of doodde. Vele duizenden kwamen daarbij om, vele andere duizenden werden gevangen genomen en naar vernietigingskampen afgevoerd. Het begint er op te lijken dat ‘Warschau’ zich op de meest schokkende, gruwelijke en beschamende punten hard op weg is zich in Kiev en andere Oekraïnse steden te herhalen. Met ons medeweten en medewerking. De smeekbedes van Zelenski en de zijnen, “Save us”, ‘help ons’, blijken aan dovemansoren gericht. Daardoor is het  onvermijdelijk dat de Russen binnenkort, waarschijnlijk nog deze week, met de Oekrainers zullen doen wat de Duitsers 80 jaar geleden met de Joden deden. Omsingelen, van eerste levensbehoeften afsnijden, huizen, wegen en voorzieningen vernietigen, en actieve tegenstand door massaal artillerie- en geweervuur uitschakelen of doden. Een wrang verschil met Warschau is wel dat we om te weten dat dit allemaal gebeurt niet afhankelijk zijn van een enkele clandestiene radiozender. De Godganse dag houden talloze nieuwskanalen ons op de hoogte van de ontwikkelingen in dit drama. De manier waarop dat gebeurt is zowel psychologisch als moreel niet zelden van een twijfelachtig allooi. Zo worden ons in journaals over de oorlog als eerste doorgaans beelden van vernietigingen, lijden en dood gepresenteerd. Gevolgd door een ‘college’ van een militair deskundige die aan de hand van een kaart komt uitleggen wat de vermoedelijke volgende strategische stappen van de Russen zullen zijn. Welke obstakels ze daarbij mogelijk zullen ontmoeten en wat ze moeten of zullen doen om die op te ruimen. Alsof wij met zijn allen hebben ingetekend op de cursus Strategische Oorlogsvoering. Hoe cynisch, mogelijk onbewust maar dat maakt het niet minder erg, wil je het hebben? We besloten Oekraïne militair niet te hulp te komen – denk aan het weigeren van een no-fly-zone. En evenmin politiek, geen EU-lidmaatschap. In plaats daarvan zitten we  thuis op de bank te kijken naar de ‘vorderingen’ in de vernietiging van een onschuldig land. Tot op heden heeft niemand van de EU-politieke leiders of militair deskundigen met enige overtuiging  kunnen uitleggen waarom  Oekraïne zo dodelijk mag worden aangepakt. Anders gezegd, door niet te helpen, helpen we niet alleen een natie te vernietigen. We blazen ook onze eigen morele waarden op, zoals onze ‘Responsibility To Protect’ (RTP, zie handvest van de VN),  onze verantwoordelijkheid te beschermen. Ook Oekraïne.

Moorddadige psyche

Als student psychologie was ik gefascineerd door de werken van de grote Russische romanschrijvers als Tolstoj (Oorlog en Vrede, Anna Karenina), Toergenjew (Vaders en Zonen) en Dostojewski (de Gebroeders Karamazow, Schuld en Boete). Voor mij waren het psychologische meesterwerken door hun diepgaande, niets verhullende en vaak vlijmscherpe psychologische inzichten in mensen. Dat gold bij uitstek Dostojewski’s Schuld en Boete. Een boek dat me behalve fascineerde ook verontrustte door de manier waarop de hoofdpersoon, een arme student Raskolnikov genaamd, de meest vreselijke dingen goed praat. Hij vermoordt twee mensen ‘omdat hij dat kan’ en verzint voor de stelling dat hij dat ook mag de meest gevaarlijke rechtvaardigingen. Ik heb het boek onlangs deels herlezen. In de hoop dat Dostojewski’s analyse van de Russische psyche, ook al is ze ruim anderhalve eeuw oud, enig inzicht biedt in de grenzeloze moorddadigheid van de Russische leiders jegens de bevolking van Oekraïne. Centraal in Schuld en Boete staat de moord op medemensen, of eigenlijk meer nog de psychologie van de moordenaar. Raskolnikov wordt door Dostojewski neergezet als iemand die de mening is toegedaan dat de mensheid in twee categorieen uiteenvalt, gewone en ‘buitengewone’ mensen. De laatsten zijn de Alexander de Grote’s, de Julius Caesars en Napoleons onder ons. Ze zijn van nature superieur, veel ‘groter’ dan gemiddeld, en dus mogen ook hun misdaden veel groter dan gemiddeld zijn. Zij mogen letterlijk over hopen lijken gaan. Raskolnikov rekent zichzelf tot deze superieure mensen. In Schuld en Boete heet het zelfs dat zij anderen, zoals een door Raskolnikov omgelegde pandjesbaas, ‘als insekten mogen vertrappen’. Dat is wat er nu in werkelijkheid in Oekraïne ook gebeurt, zoals de televisiebeelden ons dagelijks tonen. Steeds grotere aantallen mensen worden als ongedierte uit hun huizen, steden of land verjaagd en vaak onderweg verpletterend verdelgd. Er zijn commentatoren die menen dat Putin daarmee zal stoppen als hij Oekraïne eronder heeft of, hopelijk al eerder, tot inkeer zal zijn gekomen. Ze vergissen zich vreselijk. Schuld en Boete eindigt in zoverre  nog in een beperkt optimisme dat Raskolnikov zich uiteindelijk bij de politie, bij een hogere autoriteit dus, aangeeft. Niet omdat zijn denkbeelden veranderd zijn maar omdat anderen hem daartoe hebben gebracht. Maar voor Poetin geldt dat er boven hem geen autoriteit bestaat. Daarom telt voor hem maar één ding. In haar schokkende boek  Putin’s People (2020) formuleert de journaliste Catherine Belton dat in drie woorden: ‘power is sacred’, macht is heilig. Je komt niet aan zijn heilige macht en wie dat wel waagt, zoals  inmiddels tallozen in en buiten Rusland hebben ervaren, is zijn leven niet langer zeker of al verloren. Poetin zal zich eerder dood vechten dan zijn macht opgeven. En anders dan in Dostojewski’s tijd beschikt hij nu over de mogelijkheden ons allemaal als insecten de dood mee in te verdelgen. Ik bid dat het Russische volk zelf tijdig genoeg tegen hem in opstand komt. “Mensen“, aldus Dostojewski,”spreken soms van beestachtige wreedheid. Maar dat is volslagen onterecht. Want geen beest is ooit zo wreed als mensen kunnen zijn.”

 

 

Photo by Cole Keister on Unsplash

De P van Puinhoop

Is het begrijpen van persoonlijkheid en persoonlijkheidskenmerken van politieke leiders belangrijk voor het begrijpen en voorspellen van hun gedrag? Het is opmerkelijk hoe weinig aandacht er door commentatoren aan deze vraag is besteed in de aanloop tot en verloop van de oorlog tussen Rusland en Oekraine. Neem Poetin. Hij is bij uitstek een autocratisch leider. Iemand die er constant naar streeft de totale macht in zijn land, gebied of organisatie in één hand , de zijne, te houden. Iemand die daarom oppositie niet duldt en zoveel mogelijk, al dan niet met geweld of verkrachting van elke rechtsorde, probeert uit te schakelen. Het kan zijn dat hij ooit door democratische verkiezingen aan de macht is gekomen. Maar eenmaal daar is hij absoluut niet bereid die macht ooit weer af te staan. Voorzover hij vervolgens verkiezingen toestaat, zijn het schijnwedstrijden waarvan de winnaar, hij dus, mede door corruptie, bedrog, angst, en intimidatie, al bijvoorbaat vaststaat. Dat sluit overigens niet uit dat een aanzienlijke groep burgers hem steunt en bewondert, juist omdat hij de rol van ‘strong man’, van krachtpatser, op een in hun ogen aantrekkelijke en voor volk, vaderland en traditie noodzakelijke manier vervult. Maar dit alles betreft voornamelijk uiterljke kenmerken en verschaft nog geen inzicht in wat voor persoon daarachter schuilgaat. Terwijl juist kennis daarvan zo belangrijk is om te kunnen anticiperen en beperken of voorkomen van de ontwrichting en het lijden dat autocratisch leiderschap zowel in eigen land of organisatie als ver daar buiten kan aanrichten. Sommige van mijn collega’s menen dat er tussen grofweg 2000 en nu wereldwijd sprake is van een toename van autocratische leiders. Denk behalve aan Poetin, aan figuren als  Trump (VS), Erdogan (Turkije), en Duterte (Philippijnen) naast een hele  reeks anderen. Wat zij met name gemeenschappelijk lijken te hebben – enig voorbehoud, dit zijn afstandsdiagnoses – is wat genoemd wordt The Dark Triad, de drie duistere persoonlijkheidskenmerken. Dat zijn narcisme (overdreven positief zelfbeeld, onverzadigbare behoefte aan aandacht en bewondering, heftige allergie voor kritiek), psychopathie (grove ongevoeligheid, kent geen spijt, berouw, schuldgevoel of empathie) en Machiavellisme (voortdurend bezig anderen te manipuleren of op het verkeerde been te zetten door leugen, bedrog en aanjagen van angst). Voor autocraten geldt voorts dat ze buitengewoon grof, onaangenaam of bedreigend in hun uitspraken kunnen zijn. Zelfs naar hun medewerkers of hoge functionarissen. Zo zag Angela Merkel zich een keer genoodzaakt tijdens een bijeenkomst van de regeringen van Rusland en Duitsland Poetin te vragen zich niet zo onbeschoft en minachtend ten opzichte van de aanwezige ministers te gedragen. En daarmee stoten we op de vierde duistere en meest gevaarlijke trek van Poetin. Hij minacht een ieder die minder macht heeft dan hij. De nu naar compromissen en vrede strevende Westerse leiders, zijn voor hem even zovele slappelingen. De oplossing? Stel een autocraat keihard je grenzen, reageer onmiddellijk op (dreigende) overschrijding daarvan of van afgesproken rechtsordes en vertrouw voor de veiligheid en bescherming van jezelf en van jou afhankelijken nooit op met hem gemaakte afspraken. Dat is vragen om puinhopen.

 

 

Photo by Kedar Gadge on Unsplash

Positie en oppositie

Stel je hebt een probleem met je partner of je kind dat nodig aandacht behoeft. Maakt het voor het oplossen daarvan iets uit welke houding jullie daarbij innemen? Ik heb het dan niet over wat jullie tegen elkaar zeggen, maar hoe jullie ten opzichte van elkaar zitten, tegenover elkaar of naast elkaar? Onlangs ontving ik een email van een lezer die daarover een belangwekkende ervaring beschreef. In de loop van de jaren met twee opgroeiende inmiddels jongvolwassen nog inwonende kinderen waren er aan tafel steeds vaker discussies ontstaan tussen zijn vrouw en dochter aan de ene kant en zijn zoon en hij aan de andere. Zodanig dat zijn vrouw en hij steeds vaker tegenover elkaar kwamen te staan en zich aan elkaar begonnen te ergeren. Opmerkelijk was dat als zijn vrouw en hij samen een dag gingen fietsen, de sfeer tijdens het fietsen altijd prima was. Maar kwamen ze op een terrasje onderweg tegenover elkaar te zitten, dan ontstond er al gauw weer discussie en ergernis.  Tot op een dag ze op een terras alleen maar naast elkaar konden zitten. “Het viel me op dat de sfeer direct veel  beter was”. Reden voor hem te besluiten niet meer tegenover haar te gaan zitten. Niet op een terras, en niet aan tafel thuis. “Ik sta nog elke dag”, schrijft hij, “versteld van de verandering”. Op een terrasje richten ze zich nu op dezelfde zaken, maken zich vrolijk om dezelfde dingen en raken elkaar liefdevol aan. Ze zijn het nog steeds over bepaalde dingen oneens maar dat leidt niet tot ergernis en komt niet meer tussen hen in te staan. Zo ook aan tafel. Het is nu alsof ze vaker ‘van dezelfde kant naar hun kinderen kijken’. Is er, zijn vraag, een wetenschappelijke verklaring voor het feit dat door fysiek naast elkaar te zitten, je elkaar ook psychologisch, in houding en communicatie, nader komt? Het antwoord luidt bevestigend. Op de eerste plaats, naast elkaar zittend is er meestal geen object, zoals een tafel, dat jullie op afstand van elkaar zet. Je bent dus letterlijk minder afstandelijk en meer benader- of aanraakbaar. Dat alleen al doet vaak ook iets psychologisch. Voorts, naast elkaar kijken jullie vaker dezelfde kant op. Dat verhoogt de waarschijnlijkheid dat jullie een bepaald probleem of kwestie ‘zien‘ en ‘benaderen’ als iets dat jullie delen in plaats van dat jullie verdeelt. Bovendien, naast elkaar kun je je beter op de inhoud van een gesprek concentreren. Je ziet minder van en wordt dus ook minder afgeleid door wisselingen in gezichtsuitdrukking van de ander. Veel gesprekken dwalen af of ontsporen zelfs volledig door het commentaar dat daarop over en weer wordt gegeven: (“Wat kijk je nou…!’).(“Zit je me uit te lachen soms?”) (“Je vertrek geen spier, het kan je dus duidelijk geen moer schelen”). Vandaar dit veelzeggende gezegde uit de wetenschap van de cognitieve psychologie: ‘Een afdwalende geest is een ongelukkige geest’. Laat staan twee afdwalende geesten. Kortom, let op je positie als je onnodige oppositie wilt voorkomen.

 

 

Photo by Amy Hirschi on Unsplash

Inleven of uitleven?

Mannen die de macht hebben, op het werk, in het onderwijs, in verenigingen, in (sport) clubs of in de politiek interpreteren, zo blijkt uit onderzoek, het gedrag van anderen vaker sexueel en handelen daar ook naar. Door het maken van sexueel getinte opmerkingen,  grensoverschijdend aanrakingsgedrag, aanranding, of soms zelfs verkrachting. Waarom is dat? De gangbare verklaring luidt dat macht erotiseert en dat vrouwen al sinds mensenheugenis machtigere mannen aantrekkelijker vinden en hen daarom eerder sexuele toenadering en omgang toestaan. Die aantrekkelijkheid heeft vooral te maken met de sociale en materiele voordelen die sexuele omgang of toelating voor de vrouw kan opleveren. Maar behalve de  aantrekkelijkheidsfactor speelt ook angst een belangrijke rol. Angst bij de vrouw voor de mogelijk negatieve gevolgen van de man ontlopen, openlijk afwijzen, of eerder aangegane erotische communicatie of sexuele omgang met hem afbreken. De gekrenktheid van een machtige man door zo’n  weigering kan zich immers gemakkelijk vertalen in vergeldingsreacties, varierend van carriere-blokkades via het ongedaan maken van verleende gunsten tot agressieve uitingen, soms tot aan fysiek geweld toe. Zo ontstaat ten onrechte de schijn dat een vrouw het vooral aan zichzelf te wijten heeft als ze slachtoffer van sexueel grensoverschrijdend gedrag is geworden. Uit onderzoek blijkt namelijk dat de twee lusten die hier in het spel zijn, machtslust en sexuele lust, bij mannen elkaar zeer kunnen versterken, zowel psychologisch als biologisch. Zozeer zelfs dat louter het uitoefenen van macht mannen sexueel al in de hoogste staat van paraatheid kan brengen. Twee griezelige voorbeelden daarvan, ontleend aan het boek Dispatsches van de onderzoeksjournalist Michael Herr, die daarvoor de Pulitzerprijs ontving. In 1986 tijdens de Vietnamoorlog richtten Amerikaanse soldaten in het dorpje My Lai een bloedbad aan waarbij naar schatting 504 volstrekt onschuldige kinderen en vrouwen werden vermoord. Meerdere soldaten verklaarden later beschaamd tijdens het moorden een erectie te hebben gekregen of zelfs, schietend met hun machinegeweren, te hebben geejaculeerd. Griezelig is ook dit relaas van een piloot in Vietnam als hij aan een gevechtsmissie begon: “Je klimt in dat toestel en het is alsof je naar bed gaat met (noemt namen van een tweetal vrouwen). Je hebt gewoon het gevoel van Ooooo! nu ga ik ejaculeren. Je bent in het preorgastische stadium van een vechter. En dan vuur je een raket af en je hoort die whooosh die wegschiet uit je vleugel en dan raakt ze plots haar doel. Pow! Het is een orgasme.’’ De voorbeelden illustreren, laat ik het maar plat zeggen, dat macht geil maakt. Maar de combinatie van verhoogde machts- en sexuele lust doet meer. Het schakelt in ons brein tijdelijk de centra uit die empathie, je inleven in anderen, mogelijk maken. De conclusie is helder: wie jongens en mannen wil leren beter om te gaan met sexuele grenzen moet hen tegelijkertijd ook leren beter om te gaan met  frustratie en agressie in het algemeen. Reden voor mijn collega’s en mij dat in het  Levensvaardigheidsprogramma in samenhang te doen (zie www.levensvaardigheden.nl). Dat doen of niet doen is kiezen tussen inleven of uitleven.

 

 

Photo by Andrew Neel on Unsplash

Het moeilijkste woord

Wat is voor de meeste mensen het moeilijkste woord, psychologisch gezien? Het is aan het begin van een therapietraining-sessie dat mijn New Yorkse leermeester Al(bert) Ellis, na Freud de meest invloedrijke psychotherapeut van de afgelopen eeuw, met die vraag komt. Noch mijn drie medestudenten noch ik weten ondanks een aantal pogingen het volgens Ellis juiste antwoord te vinden. “Zeg het dan, Al”, zegt een van ons tamelijk gefrustreerd en brutaal. Waarop deze antwoordt: “Als ik het zeg, dan is vrijwel zeker dat jullie vier zullen reageren in de trant van ‘Ach, natuurlijk. Dat we daar zelf niet opgekomen zijn’. Daarom nog een aanwijzing. Het is doorgaans niet alleen het moeilijkste woord om te zeggen maar ook om te aanhoren”. Voor ons reden om opnieuw verwoede pogingen te doen het juiste antwoord te vinden. Opnieuw tevergeefs. Dan staat Ellis op, loopt naar de deur, doet die open en zegt, terwijl hij achterom naar ons kijkend de gang instapt :“Farewell”. Even kijken we elkaar verbouwereerd aan. ‘Kapt hij nu al met de trainingsessie? We zijn net begonnen! Is ie zo teleurgesteld in onze antwoorden dat ie denkt..zoek het eerst nog maar eens samen uit..?’ Waarop opeens bij een van ons een munt doorvalt: “Natuurlijk, dat is het! Dat is het woord: ‘Farewell!. “Verrek”, mompel ook ik in mezelf, “Natuurlijk! ‘Vaarwel!’. Tegen iemand ‘vaarwel’ zeggen of door iemand ‘vaarwel’ gezegd worden, is een emotioneel zwaargewicht. Moeilijk uit te spreken maar ook moeilijk te aanhoren. Het wijst, meestal, op een aanstaand onvermijdelijk en definitief verlies. Verlies van relatie, van contact, van perspectief, van weerzien of van leven. In dat enkele woord wordt alle pijn, verdriet, angst en machteloosheid  aangaande een verlies samengebald, uitgesproken en erkend. Vaarwel vergt daarom moed. De moed om los te laten of te laten gaan. Terwijl loslaten nu juist is wat je niet wilt. Althans dat wilde ik niet, mijn zus loslaten op de dag voor haar dood – terwijl ik dit schrijf precies  vier jaar geleden – tijdens een lang en verdrietig gesprek met haar. Op een gegeven moment zei ze dapper: “Maar we  moeten toch afscheid van elkaar nemen”. “Dat wil ik niet”, was mijn reactie. “Ik ook niet”, was haar antwoord. “Maar we móeten. We moeten elkaar laten gaan, elkaar vaarwel zeggen. Je zult zien, dat voelt beter. Nu en straks. Voor jou. En ik denk ook voor mij’. Het heeft me nog een hele tijd gekost alvorens ik de emotionele moed kon verzamelen haar ‘Vaarwel, lieve broer’ enigzins beheerst te beantwoorden met “Vaarwel, lieve zus”. Ik weet niet of ze dat nog gehoord heeft. Ze was de laatste dag grotendeels in coma. Maar ik weet wel dat haar moed uit zichzelf dat moeilijkste van alle woorden te spreken  voor mij nog altijd een voorbeeld is. Van bewustzijn dat ons leven zich afspeelt op een voortdurende golfslag  van hechten aan en onthechten of loslaten van anderen. En dat loslaten onze laatste belangrijke levensopgave is. Vandaar dat ‘vaarwel’ ook ons moeilijkste belangrijkste woord is.

 

 

Photo by Kristina Tripkovic on Unsplash