Sigrid’s land van wantrouwen

Ik zit met stijgende verbazing in mezelf te herhalen wat ze daar zojuist gezegd heeft en vraag me af of ze überhaupt wel in de gaten heeft, hoe schokkend, psychologisch gezien, dat wel is. Ik heb het over wat Sigrid Kaag op 7 september j.l., toen nog demissionair minister, antwoordde op een vraag van Wilders of ze Mark Rutte nog wel vertrouwde: “Ik vertrouw eerlijk gezegd heel weinig mensen. Ik vertrouw mijn man, ik vertrouw mijn eigen familie en een paar vrienden”. En daarmee was het zo ongeveer ook wel gezegd, zo straalde haar houding uit. Ik hoop van harte dat dit een uitglijer van haar was en dat ze in werkelijkheid een veel meer medemensen omvattende basishouding van vertrouwen heeft. Want vertrouwen is de lijm van de samenleving. Het is wat ons aan elkaar hecht. Psychologisch onderzoek laat zien dat de mensen in te delen zijn in ‘vertrouwers’ en ‘wantrouwers’. ‘Vertrouwers’ hebben over het algemeen de verwachting dat ze zich op het gesproken of geschreven woord van anderen kunnen verlaten, terwijl ‘wantrouwers’ in het algemeen verwachten dat ze daar niet op af kunnen gaan. In de volksmond worden degenen die bij voorbaat geneigd zijn anderen op hun woord te geloven, vaak voor naïef, zo niet dom, en gemakkelijk beïnvloed- en oplichtbaar versleten. Diezelfde volksmond zegt ook dat een continue dosis wantrouwen jegens anderen je een hoop ellende kan besparen. Maar is het ook werkelijk zo, dat we het in beginsel vertrouwen van anderen vaak duur moeten betalen? Laat ik een misverstand wegnemen. Mensen die in beginsel geneigd zijn anderen te vertrouwen zijn niet minder intelligent (gemeten op IQ-tests) en ook niet meer suggestibel dan de wantrouwers maar wel gelukkiger. Maar belangrijker nog is dat degenen die geneigd zijn anderen te vertrouwen, meestal ook zelf te vertrouwen zijn. Het omgekeerde blijkt ook waar: degenen die er vanuit gaan dat anderen over het algemeen niet te vertrouwen zijn, blijken zelf minder te vertrouwen en vaker onwaarheid te spreken. Het spreekwoord ‘zoals de waard is vertrouwt zij haar  gasten’ blijkt wetenschappelijk gezien dus correct te zijn. Bovendien blijkt dat als de waard haar gasten niet vertrouwt, zij een groter risico loopt door diezelfde gasten te worden opgelicht dan een collega die wel goed van vertrouwen is. En dan is er nog deze verontrustende vraag. Is het feit dat Kaag naar eigen zeggen maar zo weinig mensen vertrouwt een symptoom van hetzelfde basale a priori wantrouwen dat onder politici en ambtenaren in ons land jarenlang heeft geheerst jegens talloze burgers en dat onder meer tot de toeslagenaffaire heeft geleid? Kortom Sigrid, vertrouwen of niet is een keuze, met enorme gevolgen. Ik sluit me aan bij de keuze in deze van Henry David Thoreau (1817-1862), schrijver van Walden, het beroemde boek over zo natuurlijk mogelijk leven: ,,We moeten een oneindig vertrouwen in elkaar hebben. Als we het niet hebben, moeten we niet laten blijken dat we het niet hebben. Het leven is te kort voor lang wantrou­wen”.

 

 

Foto (C) Ministerie van Buitenlandse Zaken onder licentie: https://commons.wikimedia.org/wiki/File:Sigrid_Kaag_in_2018_(cropped).jpeg

De angst is niet weg

Sinds vorige week is het koor waar ik lid van ben na zo’n anderhalf jaar opschorting weer met gezamenlijke repetities begonnen. Dat ben ik blij om. Ik vind koorzang magisch mooi om te doen en om naar te luisteren en heb het oefenen en uitvoeren zeer gemist. Niettemin, toen ik plaats nam in de zaal met tientallen andere koorleden, netjes op anderhalve meter ingedeeld dat wel en voor zover ik kon beoordelen voldoende geventileerd, voelde dat toch onwennig, om niet te zeggen ongemakkelijk. Dat gevoel werd versterkt toen de koorleider/dirigent na een hartelijke verwelkoming met adem- en stemoefeningen begon. In mijn verbeelding zag ik uit tal van monden concentraties virusdeeltjes de zaal invliegen. Ik probeerde me gerust te stellen door me vast te klampen aan het feit dat ik  gevaccineerd ben en dus weinig te vrezen heb. Dat hielp even.  Maar angst laat zich niet zo gemakkelijk het zwijgen opleggen. ‘Er is ook nog zoiets’, zo fluisterde het mij in, ‘als de deltavariant en wie weet biedt Pfizer daar onvoldoende weerstand tegen’. Af en toe een blik werpend op medekoorleden vroeg ik me af of zij door soortgelijke gedachten geplaagd werden. Maar dat liet zich niet van hun gezichten aflezen. Al helemaal niet toen we een eerste koorwerk gingen instuderen. Ik besloot daarom er ook maar voluit voor te gaan. Drie kwartier later, toen de pauze aanbrak, was ook bij mij de angstban verbroken: ‘Waar heb ik me eigenlijk druk over zitten maken, ik leef nog, voel geen covid-symptomen, ben er redelijk tegen beschermd, geniet van wat we hier doen en voel een zekere tevredenheid over het genomen hebben van de stap weer in te stappen’. Later die avond naar huis rijdend overdacht ik hoezeer mijn leven, en naar ik veronderstel dat van veel mensen, wordt beheerst door angsten. Voor pandemieën, ziekten, klimaatrampen, ongelukken, geweld, onveiligheid, armoede, afwijzing, vereenzaming, verlies van dierbaren, eigen dood, enz, enz. Begrijpelijk dat een van onze meest fundamentele verlangens het verlangen naar een angstvrij bestaan is. Maar bestaat er zoiets? Nee, luidt het antwoord daarop van mijn favoriete dichter, Wystan Auden (1903-1973) die in 1948 de Pulitzer prijs voor poëzie kreeg voor een boeklang gedicht getiteld The Age of Anxiety (‘Het tijdperk van de angst’). Hij was aan het gedicht begonnen halverwege WWII maar voltooide het pas jaren daarna. Die waanzinnige oorlog was dan wel over, de verschrikkelijke vijand verslagen, maar daarmee was de angst niet alleen niet weg. Mogelijk was die zelfs toegenomen. Want die had andere bronnen. Zoals het niet meer te verdringen besef hoe beïnvloedbaar en kwetsbaar wij mensen zijn en hoe verschrikkelijk we ons ten opzichte van elkaar kunnen gedragen. Was WWII in wezen niets anders geweest dan een onvoorstelbare variant op WWI – getuige onder andere de holocaust – waartegen de wereld in de tussenliggende decennia geen vaccin had weten te ontwikkelen? Of confronterender gevraagd, komt onze bestaansangst niet van het denken over de toekomst  maar van onze terechte twijfel die te kunnen sturen?

 

 

Photo by Omar Flores on Unsplash

De wereld ten onder?

Hoe klein ik ook was, ik kan de herinneringen aan die verschrikkelijke nacht en ochtend van 31 januari op 1 februari 1953 nog altijd bijna filmisch weer oproepen. Buiten raast onophoudelijk de storm. Binnen zit ik klaar wakker en gespannen als een veer op mijn kinderbed te luisteren naar wat mijn vader vertelt. In Zeeland zijn de dijken doorgebroken en sleurt het zeewater alles mee dat het op zijn weg tegenkomt: huizen, vee, mensen. Het gevaar bestaat dat ook hier in Friesland de dijken het zullen begeven, zegt hij. Ik zie in gedachten grote grijze watergolven op ons huis afkomen en even later een enorme watervlakte waar alleen nog het dak van ons huis  boven uitsteekt. Later zou ik te horen krijgen dat ik als kind sindsdien als het stormde me vaak in mezelf terugtrok, als het ware bevroor en pas weer aanspreekbaar werd als het over was. Alsof een wereldondergangsgevoel zich een tijdlang van me meester maakte. Eenmaal volwassen verdween die angstreactie vrijwel restloos. Hoewel, onlangs dreigde ze weer enigzins de kop op te spelen. Door twee prikkels. Een is het rapport van het VN Klimaatpanel (IPCC) dat vorige maand werd gepubliceerd en waarvoor honderden wetenschappers uit 66 landen ruim 14.000 onderzoeken hebben geanalyseerd. Daarin wordt gesteld dat het al te laat is om allerlei rampzalige klimaatontwikkelingen op  korte termijn – we spreken over eeuwen – terug te draaien. Zoals intensere  hittegolven, vrijwel onbedwingbare natuurbranden,  uiterst zware regens,  tropische cyclonen en orkanen, versneld smeltende ijskappen, steeds snellere stijging van de zeespiegel en ,als gevolg daarvan, watersnoodrampen. Konden we de watersnoodramp van ’53 nog wijten aan een ongelukkige samenloop van omstandigheden, zoals de combinatie van een stormvloed met springtij, de klimaatrampen die zich nu steeds omvangrijker en dodelijker voltrekken, zijn inmiddels onweerlegbaar, ons eigen toedoen. De tweede prikkel betreft berichten over een verhoogd risico  op  burn-out, angst- en depressieve klachten en heuse depressies bij de klimaatonderzoekers. Als dat het gevolg is van hun conclusie dat ze ondanks al hun inspanningen en waarschuwingen het publieke en politieke tij niet hebben weten te keren en het oplossen van de klimaatcrisis inmiddels een hopeloze onderneming is geworden, staat het er inderdaad allerberoerst voor. Maar met hopeloosheids- en wereldondergangsgevoelens redden we deze planeet niet. Dat doen we mogelijk wel door zulke angsten  met de psychologische middelen die we daartoe hebben, zoals psychotherapie, meditatie, relaxatie en omdenken het hoofd te bieden en mede op geleide daarvan de crisis actief te lijf te gaan. Allereerst in onze directe omgeving door met anderen – buurt, familie,werk, school – erover in gesprek en waar mogelijk tot kleinere (minder vlees, geen plastic) en grotere (zo weinig mogelijk ‘fossiel’ reizen) acties over te gaan. Natuurlijk stoot je daarbij op klimaatcrisis-ontkenners. Mijn antwoord aan hen is dat als ik inderdaad mijn oude wereldondergangsgevoel niet het laatste woord wil geven, ik me zowel verplicht tot optimisme als  activisme. Erop vertrouwend dat de wereld ondertussen niet zal ondergaan. Mocht dat desondanks toch gebeuren, so be it.

Denken is danken

Het is een vraag die ik me de afgelopen dagen herhaaldelijk heb gesteld tijdens het NOS-journaal of Nieuwsuur. Wat is de zin van zitten kijken naar de doffe ellende die daar in Afghanistan over talloze medemensen wordt uitgestort? Gaat het louter om geinformeerd worden over hoe het daar aan toegaat? Maar waarom zouden we daarover geinformeerd moeten worden want we hebben geen enkele invloed op wat daar gebeurt? Of is het niets anders dan botte, nutteloze nieuwsgierigheid naar hoe de ellende die andere mensen treft er precies uitziet? Of, nog botter, is het in wezen een vorm van ramptoerisme? Dezelfde drijfveer die nog maar kortgeleden velen aan de beeldbuis deed kluisteren of zelfs in de auto stappen om maar zo weinig mogelijk te hoeven missen van de overstromingen in Zuid-Limburg? Of misschien nog erger, is het willen kijken naar de ellende van anderen voor ons emotioneel nuttig want geruststellend in de zin van ‘gelukkig blijft ons dat bespaard’?. De reactie van velen op de gestelde vragen zal ongetwijfeld zijn dat ze kijken omdat ze met de mensen in dat rampzalige Afghanistan van doen hebben. TV-kijken als een  demonstratie van empathie zeg maar. Alleen hebben die mensen daar er niets aan. Wij hebben als kijker dan misschien wel met ze te doen, maar we doen niets voor ze. Kortom, er lijkt geen goede, zinvolle reden te bedenken waarom we in de veiligheid van onze huiskamers en op duizenden kilometers van waar het allemaal gebeurt, over andermans ellende geinformeerd zouden moeten worden. Die ellende daar wordt er niet minder van en voor ons gedrag hier heeft het vooralsnog geen betekenis. En toch, meen ik, resteert er één goede, zinvolle reden om ons wel aan de ellende in de wereld te blijven blootstellen. Die reden is, hoe gek het ook klinkt, dankbaarheid. Bedenk dat er in wezen geen enkele reden is waarom de ellende die anderen treft, vroeg of laat ook niet ons zou kunnen treffen. Om dicht bij de actualiteit te blijven. Een aanslag als op de luchthaven van Kaboel afgelopen week, kan ook hier plaatsvinden. Kijkend naar de ellende die daardoor is aangericht, hebben we alle reden om het toeval of God of ons karma of welke andere factor dan ook dankbaar te zijn dat het ons (nog) niet is overkomen. Psychologen hebben de afgelopen jaren een groot aantal studies uitgevoerd naar de invloed van de houding van dankbaarheid op psychische gezondheid en gedrag. Zo blijkt het bijhouden van een ‘dankbaarheids-dagboek’ – het een tijdlang iedere dag (tenminste drie) dingen opschrijven waarvoor je anderen of het leven dankbaar bent – een langdurig sterk effect te hebben op onze psychische gezondheid, geluksgevoelens en hulpvaardigheid jegens anderen. Er is zelfs geen (persoonlijkheids)eigenschap  die zozeer samenhangt met welbevinden en generositeit/gulheid dan de bereidheid of neiging (regelmatig) je dankbaar te tonen. En geloof het of niet, dankbare mensen blijken doorgaans meer of beter na te denken dan ondankbare. Blijkbaar  is het volgende gezegde toch heel erg waar: denken is danken.