Gebrek aan zelfcompassie

Enige tijd geleden werd ik uitgenodigd door een scholengemeenschap om een demonstratieles psychologie te geven. Het thema mocht ik zelf bepalen maar ik besloot de leerlingen te laten kiezen uit de inhoudsopgave van het lesboek Psychologisch.  Tot mijn verbazing gingen de meeste stemmen naar het hoofdstuk Suicidaliteit en Depressie. Naar ik later begreep had dat veel te maken met de lopende oorlog, de klimaatcrisis, de economische crisis (inflatie en energieschaarste), de twijfel onder de jongeren of deze crises nog wel oplosbaar zijn en de toenemende depressieve en suicidale gedachten bij hen. Mede daarom ging het gesprek vooral over de situatie van een jongere, Raoul, 18 jaar, en de vraag of zijn zelfdoding te voorkomen was geweest. Op een dag vond zijn moeder hem in zijn kamer, vrijwel bewusteloos door het innemen van een grote hoeveelheid slaap- en aspirinetabletten. Hij werd met spoed opgenomen in het ziekenhuis. Weer thuis vonden zowel zijn ouders als hij het moeilijk om te praten over wat er was gebeurd.

Een week later werd Raoul dood gevonden onderaan een flatgebouw in de buurt. Hij was daar vanaf gesprongen. In zijn afscheidsbrief maakte hij duidelijk dat hij zich wanhopig en depressief voelde. Hij meende niet te kunnen voldoen aan de verwachtingen van zijn ouders, begreep hun stille verwijten over zijn eerdere suïcidepoging, maar had er geen vertrouwen in dat iemand hem kon helpen. Zijn brief eindigde aldus: ‘Ik wil niet langer een last en een teleurstelling voor jullie zijn, omdat ik school niet af heb gemaakt en het met werk vinden iedere keer niet goed lukt. Ik ben er zeker van dat jullie vroeg of laat zullen begrijpen dat het zo beter is voor ons allemaal’.

In de nabespreking wezen meerdere leerlingen erop dat Raoul geen vrienden leek te hebben gehad en bepaald ook geen vriend van zichzelf was  geweest. Hij bleek vooral streng zelfveroordelend. In de psychologie wordt dat een gebrek aan zelfcompassie genoemd.  Het gaat hier om essentiele vragen als hoeveel compassie heb je met jezelf als je door een fout of misser van jezelf in moeilijkheden bent geraakt? Blijf je jezelf eindeloos verwijten maken? Doe je dat zelfs als het gaat om gebeurtenissen waar je geen of weinig controle over hebt?. Terwijl we tegen een goede vriend die iets ergs buiten zijn of haar schuld overkomt, zoals een depressie, zeggen dat zelfverwijten onterecht zijn, hebben we ten opzichte van onszelf in zo’n situatie lang niet altijd compassie. Zelfcompassie, vergevingsgezindheid tegenover jezelf, is bepaald niet hetzelfde als zelfmedelijden. Het is de houding van vrienden blijven met jezelf, ook als je in moeilijkheden verkeert, van inzien dat fouten of moeilijkheden niet meer betekenen dan dat je lid bent van de afdeling mensheid, je bewust bent van je negatieve gedachten en gevoelens en van vastbesloten zijn daar niet in te blijven hangen.

Gebrek aan zelfcompassie kan ernstige gevolgen hebben: zelfhaat, depressieve gedachten over jezelf en de toekomst, agressie tegen jezelf. Tot op het punt, zoals bij Raoul, dat je voor jezelf geen toekomst meer ziet en wilt.

Homo Amicus

Het is een vraag die me al langere tijd bezighoudt: is het zo dat net zoals wij vrienden nodig hebben, we ook vijanden nodig hebben? Of in de woorden van de Amerikaanse psycholoog en essayist Sam Keen, is de mens niet zozeer een homo sapiens, een rationeel denkend wezen, als wel een homo hostilis, een vijandenmaker? En vervult het maken van vijanden een psychologisch belangrijke behoefte, namelijk bewust of onbewust die eigenschappen van ons zelf die we niet waar willen hebben, toedichten aan onze vijanden? Een van de grondleggers van de Verenigde Staten, Benjamin Franklin, heeft in dit verband eens gezegd: ‘heb je vijanden lief want zij vertellen je je fouten’. Moeilijk om je dat bij Vladimir Putin voor te stellen, hem liefhebben en van hem willen horen wat wij niet goed doen. Een van mijn goede kennissen is Rus en al direct na het uitbreken van de oorlog deed hij alle mogelijke moeite mij ervan te overtuigen dat het geen oorlog was maar een militaire rechtzetting en hoe terecht het was dat Putin die was begonnen. ‘”Want de Oekrainers, dat zijn in feite Nazis”. Omdat die gesprekken de nodige spanning teweeg brachten en we dreigden bijna als vijanden tegenover elkaar te komen staan – dat wilde ik per se voorkomen, onze relatie is mij dierbaar – ben ik vervolgens gesprekken over de oorlog  systematisch uit de weg gegaan. We praten verder over van alles, alleen niet meer daarover. Ik heb hem dus ook niet verteld dat een vriendin van mij Oekrajinse vluchtelingen in haar huis heeft opgenomen. Ik wil geen verdere  onvruchtbare meningsbotsingen. Maar onze onuitgesproken wederzijdse vermijding van het onderwerp blijft me bezighouden.  Evenals de vraag welke fouten wij aan onze kant hebben gemaakt dat  het zover is gekomen dat we in oorlog zijn zonder enig uitzicht op hoe we daar ooit weer uitkomen. Ik kan daar geen goed antwoord op vinden. Of het moet zijn, ik voel weerstand het op te schrijven, dat wij de Russen nog altijd zien als een inferieur, achterblijvend volk zien dat onvoldoende beseft dat ook voor hen de Amerikaans-westerse way of life en cultuur de beste is.Terecht toch dat de Oekrainers bij ons willen horen?  Maar dat is natuurlijk superioriteitsdenken. En, meen ik, een  kardinale fout. Zoals het een fout was dat toen in het najaar 1990 in Moskou de eerste McDonald werd geopend, dat hier luid werd toegejuichd als een aanwijzing dat ook de Russen onze cultuur- en consumptiepatronen gaan prefereren. Deze oorlog is daarom  geen evolutionair bepaalde onvermijdelijkheid maar een psychologisch aangestuurd drama waarin partijen, machteloos  om meer te doen dan de agressie van de ander met agressie te beantwoorden, proberen hun morele superioriteit te demonstreren. Het hameren op óns moreel gelijk leidt daarom niet tot vrede, hoogstens tot verdere escalatie. En betekent, mochten wij deze oorlog winnen, dat daarmee het zaad voor de volgende al is gezaaid. Hoog tijd de Russen uit te nodigen met ons samen te werken aan een psychologisch verbeterd menstype, de homo amicus. Ik kom erop terug.

 

 

Image by 41330 from Pixabay

Prietpraatprogramma’s

Al geruime tijd kijk ik niet meer naar de zogenaamde ‘praat’programma’s op TV, een enkele uitgezonderd, ongeacht of ze van de publieke omroep of de commercielen zijn. Dat levert me s’avonds een hoop open creativitijd op evenals verstandiger bedtijden. Maar daar is het me niet om te doen. Ik wil niet langer blootgesteld worden aan wat ik ervaar als de dikwijls belabberde en infantiele invulling en uitvoering van veel van die programma’s. Geadverteerd als talkshows blijkt de voornaamste activiteit het ondervraagd worden door ‘hosts’ van  gasten aan tafel die verondersteld worden de gestelde vragen te beantwoorden en  daarover niet met enige diepgang met elkaar in gesprek of dialoog te gaan. Een aanzienlijk deel daarvan zijn vaste gasten of  voorzover niet vast, toch dikwijls ook in andere TV programma’s optredend. De talkshow is daarmee in feite inteelt-televisie waarin het vrijwel nooit voorkomt dat de ene gast de andere echt inhoudelijk aan de tand voelt en waar ook de hosts vrijwel altijd gespaard worden. Ik heb nog nooit gehoord, hoewel daar vaak alle reden toe is “Wat is dat nou voor maffe vraag!’. De talkshow is een plaats, in de woorden van Joachim Bodamer in zijn prachtige boek De Psychologie van van de Hedendaagse Man:”waar iedereen in het fluidum van de tevredenheid met zichzelf niet ophoudt te betogen dat hij het bij het rechte eind heeft en juist handelt en waar de leuze van de dag als hoogste wereldwijsheid geldt”.  Vandaar die beginvraag in veel programma’s: “Wat is jouw nieuws van de dag?” Terwijl de veel interessantere vraag is: “Wat is er volgens jou niet nieuw aan vandaag?” De filosoof Heidegger was de eerste die onze hedendaagse cultuur als ‘praatcultuur’ bestempelde en wel in de meest oorspronkelijke betekenis van ‘praten’ dat een afgeleide is van het Engelse ‘to prate’ dat wauwelen betekent. “Het is … eigenaardig”, aldus Bodamer over Heidegger’s cultuurtypering,” dat de mens nog nooit zo uitvoerig, grondig en snel over van alles wordt ingelicht maar blijkbaar zijn het juist die overvloed aan gegevens en de behoefte zoveel mogelijk van alles op de hoogte te zijn, die een zelfstandig denken en een echte dialoog practisch onmogelijk maken”. Met de opkomst van de sociale media is dat er niet beter op geworden en de term smartphone is wel het toppunt van cynisme want in plaats van smartness een bron van infantilisme. Het gepraat waar Heidegger het over heeft, is ‘het totaal van alles dat men voortdurend uitkraamt en om in staat te zijn dat allemaal maar klakkeloos te aanvaarden moet men welhaast infantiel zijn. Het gepraat is de mogelijkheid om alles aan te grijpen zonder het te verwerken’. Dat ontslaat ons niet alleen van de taak om werkelijk te begrijpen, maar creert  ook een onverschillige onbegrijpelijkheid waarvoor niets meer ontoegankelijk is. Over alles, inclusief de meest maffe complottheorieen, mag en zal gewauweld worden. Een verrassend tegengif daartegen lijken de komisch bedoelde talkshows, zoals Lubach.  Volgens mijn omgeving leveren die nog de meeste diepgang en de minste prietpraat of lege intellectuele calorieen. We gaan ‘t zien.

 

 

Image by OpenClipart-Vectors from Pixabay