Eerst breed dan diep

Is het wijs jongeren al op 17-18 jarige leeftijd keuzes te laten maken, zoals voor een studie psychologie, geneeskunde of maatschappelijk werk? Wij hebben het hoger onderwijs, universiteit en hogeschool, veelal op deze manier ingericht. Zeer tegen de zin van mijn collega-psycholoog Albert Bandura die ik in de voorbereiding op een eredoctoraat dat ik hem mocht uitreiken, ooit bezocht in zijn werkkamer aan de universiteit van Stanford, Californie. Bandura is de grondlegger van de sociale leertheorie, de theorie van hoe en waarom wij leren van voorbeelden en modellen in ons omgeving. Hij heeft ook het begrip zelfredzaamheid (‘self-efficacy’) gelanceerd evenals het onderzoek naar wat bepaalt of individuen en groepen meer of minder zelfredzaam zijn. Hij is verder vermaard vanwege  zijn onderzoek naar de oorzaken en gevolgen van morele onverschilligheid. Zowel in zijn eigen vakgebied als in andere wetenschappen – sociologie, criminologie en pedagogiek – is hij de meest geciteerde psycholoog van deze tijd. Heel treffend hing aan de wand van zijn kamer toen ik daar was de volgende spreuk: “When God created man, he did not think in terms of academic disciplines” (Toen God de mens schiep, dacht hij niet in termen van de wetenschappen zoals aan universiteiten bedreven). Bandura: “die spreuk herinnert me er voortdurend aan dat aan elk verschijnsel altijd meerdere aspecten te onderscheiden zijn. Dat is ook wat het woord ‘aspect’ in oorsprong betekent. Gevormd uit twee latijnse woorden die samengevoegd zoiets betekenen als ‘een manier van kijken’. Eén, niet dé. In mijn werk heb ik altijd getracht eerst de verschillende aspecten of manieren van kijken naar een verschijnsel te inventariseren en pas daarna een bepaald aspect of combinatie van aspecten uit te kiezen voor diepgaander onderzoek. Eerst de breedte, dan pas de diepte, het specialisme, in. Neem scheiding. Psychologisch gezien vooral een kwestie van afnemende kwaliteit en exclusiviteit in de relatie tussen twee mensen. Maar economisch gezien mogelijk vooral een kwestie  van toegenomen financiele zelfredzaamheid van twee mensen: ‘ik heb je minder nodig, dus laat ik je eerder los’. Ook voor onderwijs zou moeten gelden: eerst breed en dan pas de mogelijkheid voor verdieping, specialisme, aanbieden. Want het blijkt vooral de breedte waar we het van moeten hebben om in de diepte, in specialismen, voor grote doorbraken, innovaties, te zorgen’. Daarop schoof Bandura me een onderzoekspublicatie toe waarin over de periode 1901-2005 absolute topwetenschappers die wel en niet een Nobelprijs hadden gekregen met elkaar zijn vergeleken wat betreft hun ‘breedte’. De Nobelisten blijken veel vaker intensief een artistieke hobby te beoefenen, zoals musiceren, tekenen, beeldhouwen, dichten, romans schrijven, dan de niet-Nobelisten. Blijkbaar helpt artisticiteit om op andere, bizondere manieren naar eenzelfde verschijnsel te kijken. Want een soortgelijk verschil is ook gevonden onder ‘gewone’ mensen. Beginnende ondernemers die een patent op hun naam weten te krijgen, hebben veel vaker artistieke hobbies dan degenen die dat niet lukt. De conclusie? Financieer alleen nog middelbare en hogere onderwijsopleidingen met een beduidend breed en artistiek programma

Onderschatte kinderen

Over een week of wat gaan tienduizenden kinderen weer of voor het eerst naar school. Afgeleverd door ouders die nogal eens de neiging hebben om de intelligentie, talenten en schoollust van hun kind te overschatten (zoals ze ook vaak overschatten hoeveel lichaamsbeweging hun kind krijgt). In mijn wijk zijn veel scholen, en iedere keer als ik, na weken van zomerrust, ze in drommen weer voorbij zie komen, komt deze vraag bij mij op: wat gaat er in die kinderhoofden om?’ Vinden ze het leuk om naar school te gaan? Hebben ze het daar thuis nog over gehad? Of doet het er niet toe, ze moeten gewoon. Is school net zoiets als de belastingdienst: ‘leuker kunnen we het niet maken, hoogstens makkelijker’. Hoeveel van de kinderen die naar school gestúúrd worden, want zo is het, gaan daar met angst heen? We weten het niet. In de diagnostische handboeken van psychologen en psychiaters komt schoolangst niet als aparte diagnose voor. Weten ouders wel wat er aan gevoelens in hun kinderen omgaat? Dat is maar zeer de vraag. Ouders hebben de neiging, zo blijkt uit onderzoek, om de mate van angst en negatieve emoties bij hun kinderen te onderschatten. Althans als we wat kinderen zelf zeggen te ervaren vergelijken met wat hun ouders menen dat hun kinderen ervaren. Ouders menen ook dat hun kinderen wat betreft zulke gevoelens meer op hen zelf lijken dan in werkelijkheid het geval is. Blijkbaar is het voor ouders moeilijk hun eigen emotionele perspectief te scheiden van dat van hun kind.  Een gelijkstelling die niet alleen blijkt te gelden voor angsten en andere negatieve emoties, maar ook voor positieve gevoelens, zoals optimisme. Onderzoek laat zien dat ouders de neiging hebben de mate van optimisme bij hun kinderen te overschatten en zich daarbij vaak te laten leiden door hun eigen optimisme. Optimisme onder andere over wat hun kind door naar school te gaan kan bereiken. Daarmee raak ik aan een andere vraag die regelmatig bij mij opkomt als ik al die kinderen voorbij zie komen. Is het onderwijs waar ze nu naar toe fietsen wel geschikt om de mogelijkheden en talenten die ergens in hen sluimeren tot ontwikkeling en wasdom te brengen?  Weten we dat eigenlijk wel? Het eerlijke antwoord is dat we dat niet goed weten. We hopen het, we nemen het aan, maar weten doen we het niet. We kunnen zelfs niet uitsluiten dat onderwijs voor sommige kinderen juist ontwikkelingsremmend werkt. Zeker is in  ieder geval is dat het onderwijs, algemeen gesproken, nog lang niet voldoet aan artikel 1 uit de Grondwet van de Opvoeding: ‘Kinderen hebben, ten einde gelijke kansen te krijgen zich naar hun mogelijkheden en talenten te ontplooien, recht op ongelijke behandeling in opvoeding en onderwijs’. Arme kinderen denk ik weleens als ik ze weer voorbij zie komen: ‘gestuurd door ouders die niet zelden een onrealistisch rozig beeld hebben van hoe jullie je voelen’ (‘en wat je via onderwijs kunt bereiken’).

 

 

 

Hete stress

Voor ons lichaam is de hitte van de afgelopen weken een aanzienlijke stressfactor. De hoge temperaturen stellen hoge eisen aan hart en bloed­vaten omdat ons lichaam, om toch zo­veel mo­gelijk af te koelen, de produktie van de zweet­klie­ren sterk moet opvoeren. Voor men­sen met een zwak hart of slechte kon­ditie is een hittegolf daarom vaak een ake­lige en soms zelfs  levensbedreigende toe­stand. Maar ook in goede kon­ditie eisen de ‘overuren’ die hart en bloedvaten  moeten maken hun tol. Omdat het li­chaam die overuren zowel overdag als s’nachts maakt, raakt de slaap vaak ge­stoord. De combinatie van vermoeidheid en slaapgebrek heeft een aantal psychische gevolgen: we zijn vaker ontstemd, minder lief, vaker agressief, minder oplettend, bijvoorbeeld in het verkeer, en maken meer fouten maken want  nemen min­der snel waar dat er ge­vaar dreigt. Eenmaal gevaar waargenomen, reageren we overigens vrijwel even snel als normaliter. Dat laatste hangt samen met een opmerkelijke con­clusie uit studies over hitte en gedrag. Mensen die hoog gemo­tiveerd zijn voor een bepaalde taak, denk aan wielrenners in de Tour de France, blij­ken veel minder hin­der van hitte-stres­s te hebben, dan de laag-gemotiveerden (bijvoorbeeld de vakantiegangers langs de route). Maar mensen die al vóór het uitbreken van een hittegolf  door problemen in hun persoon­lijk leven of werk onder hoge stress staan, lopen een verhoogd risico op teruggang in welbevinden en een sterke toename van foute beslissingen. Dus moet hun omgeving extra opletten. Acclimatiseren, het ruimschoots de tijd nemen om te wen­nen aan hoge tempera­turen, blijkt hier het toverwoord. Volgens een reeks van studies blijkt het niet zo handig daarbij veel van air­con­ditio­ning ge­bruik te ma­ken. Dat levert vaak te grote temperatuurs­ver­schil­len op, en een verhoogd risico op uitdroging, ademhalingsproblemen, droge ogen, hoofdpijn en infecties. Nuttiger zijn appa­ra­ten om de voch­tig­heid uit de lucht halen, maar dan moet het natuurlijk wel vochtig heet zijn. Bij hoge vochtigheid (70-80 pro­cent) is het begrijpelijk oppassen met sporten. Een advies is ook zweet zo weinig moge­lijk af te vegen, want dan kan het niet verdampen en de huid af­koelen. Omdat bij zweten belang­rijke mine­ralen, zoals magnesium, kalium en natrium (zout), worden uitgescheiden, kan het bij overvloedig zweten ver­stan­dig zijn om voeding te gebrui­ken (geen zout­ta­blet­ten!), dat daar rijk aan is zoals: sel­derij, vis, ro­zijnen, spinazie, prui­men, bananen, brocolli en bloemkool. Maar nogmaals, hou vooral je stemming in de gaten! Vandaar deze aanbeveling die ik jaren geleden ooit aantrof en al eens doorgaf: koop een stropdas! Een man strompelt, stervend van de dorst, door de woes­tijn. Plotseling ziet hij een ara­bier voor zich. ,,Water!”, rochelt de man. ,,Stropdassen!”, roept de arabier terug. ,,Ik moet water hebben!”, kreunt de man. ,,Ik verkoop alleen maar stropdassen!”, herhaalt de arabier. Vertwijfeld strompelt de man ver­der. Ein­de­lijk ziet hij in de verte een hotel. Met zijn laat­ste krach­ten bereikt hij de ingang en fluistert: ,,water, wa­ter..”. Waarop de portier antwoordt: ,,Het spijt me me­neer, maar zon­der strop­das mag u hier niet naar binnen!”