Je uiterste houdbaarheidsdatum

Onlangs bij Albert Heijn. Ik doe een koelkast open, haal een zak sla met daarop een kortingssticker uit het schap en zoek naar de uiterste houdbaarheidsdatum. Naast mij doet een man precies hetzelfde. ‘Nou dat gaat wel’ mompel ik min of meer in mezelf. Die datum is over twee dagen. Als ik me omdraai en een slazak in mijn kar leg, doet de man dat ook en terwijl hij wegrijdt, zegt ie, alsof we elkaar al jaren kennen: “ach joh, je moet  het niet zo nauw nemen met die uiterste houdbaarheidsdata. De enige die echt van belang is, is die van jezelf”. En dan op een spottend-zingende toon zijn bovenlichaam heen en weer wiegend: “Mááár.. dié ken je niet!” Ik ben even uit het veld geslagen want dit is bepaald geen uitwisseling die je verwacht op de groenteafdeling van AH. Mijn eerste neiging is om hem voor een halvegare te verslijten. Maar in de auto met mijn boodschappen op weg naar huis echoeen zijn woorden toch nog een tijd in me na. Gekken en dwazen schrijven behalve hun namen ook niet zelden de waarheid op deuren en glazen. Want inderdaad zijn op de keper beschouwd de enige echt belangrijke houdbaarheiddsdata die van mezelf en van de mensen direct om me heen. En, zo wordt me al nadenkend steeds helderder, er is op de keper beschouwd niets waar ik zoveel in investeer – door zo gezond mogelijk te leven, onnodige risico’s uit de weg te gaan en voortdurend te werken aan mijn lichamelijke, psychische en sociale weerbaarheid  – als aan het zover mogelijk de toekomst induwen van die einddatum. Ook al ken ik ‘m niet. Maar is dat erg? Of is dat juist gelukkig? Afgelopen week woonde ik de begrafenisdienst voor een oom bij in de Koepelkerk in Willemstad. Ik zat helemaal achterin en had het uitzicht op zeker een paar honderd mensen vóór me. In mijn fantasie zag ik op een gegeven moment boven al die mensen als het ware de vraag hangen: ‘Who’s next? Wie volgt? Ik vroeg me af of meer aanwezigen zich die vraag stelden en net als ik zichzelf het geruststellende antwoord gaven dat zij nog niet aan de beurt zijn. En toen opeens bedacht ik dat er vrijwel zeker ook mensen tussen zaten die hun uiterste houdbaarheidsdatum wel kennen. Ofwel omdat leven die al voor hen geprikt heeft, door ziekte of aftakeling. Ofwel omdat ze die zelf al geprikt hebben, zelf al besloten hebben de laatste deur binnenkort achter zich dicht te trekken.

Als ik  later de kerk uitloop, bedenk ik dat het in het algemeen inderdaad maar beter is je uiterste houdbaarheidsdatum niet te kennen. Het maakt het gemakkelijker te geloven dat die datum nog niet vastligt en dat je nog van alles kunt doen om ‘m zover mogelijk uit te stellen. En wie weet, als wetenschap en techniek zich maar snel genoeg ontwikkelen, ‘m misschien zelfs wel af te stellen.

Het schone spijbelen

Samen met mijn kleinzoon van acht ben ik lopend op weg naar een supermarket in de buurt, als we langs een geparkeerde auto komen waarvan het bijrijders-portier half over de stoep hangend openstaat en de motor voluit stationair draait. De voordeur van het huis waarvoor de auto staat, staat eveneens half open, maar er is niemand te zien. Als we aan het eind van de straat komen  en willen afslaan, draaien we ons nog een keer om en zien dat de situatie ongewijzigd is. “Dat is niet goed, toch?”, zegt mijn kleinzoon bijna streng. Ik mompel iets instemmends maar ervaar meteen ook een zekere handelingsverlegenheid. Wat te doen? Maar zo laten en doorlopen? Of teruggaan en betrokkene wijzen op het feit dat deze achteloos het milieu vervuilt en vriendelijk maar vastberaden vragen dat te stoppen? Even komt de gedachte bij me op het dilemma door te schuiven naar mijn kleinzoon en hem te vragen wat hij vindt dat wij moeten doen. Maar vrijwel meteen besef ik dat dit wel een heel onvolwassen, bijna laffe manier is om ermee om te gaan. De kwestie is natuurlijk welk rolmodel ik in deze voor hem wil zijn. Nauwelijks heb ik dat bedacht of besluit “kom, we gaan  terug”. Als we even later voor de halfopen voordeur staan en ik aanbel, gaat die vrijwel onmiddellijk helemaal open en komt een man te voorschijn die heftig tegen zijn mobiel aan het praten is. Ik wacht even. Maar wanneer hij blijft doorbellen, wijs ik naar de auto en  roep “Zet uit svp!’. Tot mijn verrassing loopt de man, nog altijd bellend, naar buiten, om de auto heen, doet het bestuurdersportier open, schuift de auto in en zet de motor uit. Ik steek bij het weggaan mijn duim omhoog, zo van ‘prima!’. Hij ook. En tot mijn ontroering mijn kleinzoon ook naar hem. Als ik later mijn studenten over dit voorval vertel, vragen ze wat ik gedaan zou hebben als de man agressief had gereageerd, zo van ‘bemoei je met je eigen zaken, man! Ik vind het belangrijker te horen hoe zij zouden reageren. Er ontstaat een levendige discussie waar uiteindelijk twee reacties de meeste bijval krijgen. De ene werd als volgt verwoord: ‘de kwaliteit van de lucht die je inademt is uiterst belangrijk voor jouw gezondheid en dus is het zo dat als iemand anders die aantast en jij spreekt hem daarop aan, je je wel degelijk met je eigen zaken, namelijk je eigen gezondheid, bemoeit. Dat recht heb je”. En de andere was een fraaie aanvulling daarop, als volgt verwoord: ‘en als je dat doet dan kom je tegelijkertijd ook op voor de zaak, voor het belang van anderen. Want iedereen heeft recht op schone lucht”. “Als dat”, was mijn conclusie, “de boodschap  is die jullie a.s. donderdag  massaal willen uitdragen, dan mag dat voor de minister spijbelen heten,  maar voor mij is het in meerdere opzichten schone, sociale betrokkenheid.

Dankzij leegte

Het is nog vroeg in de ochtend, het heeft gesneeuwd vannacht en de zon komt net op. Vanuit mijn studeerkamer heb ik uitzicht op de singel vóór mijn huis en het park aan de overkant. De stille pracht van de wereld daarbuiten,  de oplichtend sneeuw op de singeloever en de bomen, de windstilte, het bewegingsloze  bevroren water met hier en daar een eilandje van sneeuw erop, en de afwezigheid van mensen, dat alles maakt mij ook innerlijk stil. Hoe stiller en hoe leger de wereld, hoe meer ze gedachten, mijmeringen, lijkt uit te nodigen. Naar buiten kijkend komt bij mij de herinnering boven aan een gesprek over het belang van leegte  dat ik onlangs tijdens een van mijn cursussen in China met een deelnemer had. Hij doceert filosofie van de Tao aan de universiteit van Chongqing. Tijdens een koffiepauze hadden we het over iemand die we beide kennen van een eerdere cursus. Maar ik kon niet zo gauw op diens naam komen. Hij ook niet. “Nou, laat maar”, heb ik op een gegeven moment gezegd en ben opgestaan om nog twee koppen koffie te halen. Maar ik was nog niet weg of draaide me al om en zei ‘ik weet ‘t weer, Jason is zijn naam’. Toen ik even later met koffie terugkwam, zei hij “Dat was wu wei”. Ik moet hem vreemd hebben aangekeken. Zo van ‘waar heb je het over’? De uitleg die hij vervolgens gaf, is diep in mijn geheugen gegraveerd. “Toen jij zojuist je inspande om die naam te vinden, lukte dat niet. En hoe meer je je inspande, hoe verder die naam uit je bewustzijn leek weg te glippen. Maar toen je stopte met je in te spannen, je geest als het ware leegmaakte, schoot die naam je vrijwel meteen te binnen. Wu wei staat voor het principe van de leegte. Om iets te kunnen vullen moet het eerst leeg worden gemaakt. Om iets te laten gebeuren moet je vaak juist niets doen. Dat is ook de reden waarom mediteren zo gunstig is. Je maakt je als het ware innerlijk leeg waardoor gedachten of ideeen die tot dan toe geen kans hebben gekregen, plotseling de ruimte krijgen om zich te melden”. En toen haalde hij uit zijn tas de Tao-Teh-King, het duizenden jaren oude taoistische spreukenboek, en las daaruit deze zin voor: “Uit klei worden potten gevormd, maar de bruikbaarheid van het vaatwerk berust op zijn leegte”. Oftewel, de bruikbaarheid en daarmee de gezondheid van onze geest berust op de mate waarin we deze regelmatig leeg weten te maken van lopende gedachten, ideeen, plannen. Hoezeer de Taoisten van het eerste uur daarin gelijk hebben gehad, bewijst hedendaags neuropsychologisch onderzoek. Om goed te functioneren blijkt ons brein regelmatig leegtes, pauzes, nodig te hebben. En daarbij helpt het zeer als ook de wereld om ons heen af en toe stil, leeg, is. Een leeg hoofd is een creatief, innovatief, hoofd.

Verkeerde slotakkoord?

Naarmate ik langer leef, vind ik het leven een steeds kostbaarder bezit en krijg ik steeds meer moeite met het gegeven dat het op een gegeven moment, of ik nu wil of niet, ophoudt. Als jongere speelde ik niet zelden met de gedachte aan de dood, verlangde er soms zelfs naar en deed af en toe dingen met ware doodsverachting die me best het leven hadden kunnen kosten. Dat verlangen en die neiging heb ik allang niet meer. Integendeel, mijn verlangen is zolang mogelijk te blijven leven en ik doe allerlei dingen om dat zo waarschijnlijk mogelijk te maken. Ik besef heel goed dat ik mijn levenslust in belangrijke mate dank aan het feit dat ik gezond ben (voor zover ik weet), relatief welvarend en omringd door mensen die van mij houden en ik van hen en dat ik bepaalde levensdoelen heb. Ik besef ook dat als ik op een of meer van die gebieden zware, onherroepelijke verliezen zou lijden, en dat is vroeger of later waarschijnlijk, mijn levenswil zou kunnen breken en plaatsmaken voor doodsverlangen. In een gesprek onlangs met een leeftijdsgenoot die zijn huidige levenssituatie op ongeveer dezelfde gelukkige manier ervaart als ik de mijne, leidde dat tot een confronterende vraag. Moeten we ons nu niet voorbereiden op een toekomst waarin onze levenskwaliteit onherstelbaar ingrijpend afbrokkelt zodat we daar tezijnertijd nog zo goed en waardig mogelijk mee om kunnen gaan? Of doen we er beter aan, zoals bij sport- of theatercarrieres vaak wordt geroepen, op het hoogtepunt te stoppen en de onvermijdelijke aftakeling vóór te zijn? En toen kwam het gesprek op Bohemian Rhapsody, de film over Freddy Mercury, de leadzanger van de band Queen  (ik schreef daar vorige week al iets over). De film stopt op het muzikale hoogtepunt van Freddy’s carriere, het Live Aid concert, volgens velen het beste concert aller tijden. Maar Freddy heeft nog zes jaar doorgeleefd, zes jaar die vooral in het teken hebben gestaan van zijn ziekte Aids, aftakeling, sterven en dood. Blijkbaar wilden de filmmakers het slotakkoord van zijn leven niet het slotakkoord van de film laten zijn. Te realistisch, te deprimerend, niet goed voor de kaartjesverkoop? Aan de ene kant, zo concludeerden we beiden, betreurden we dat niet. Want door zijn filmleven op het Live Aid hoogtepunt te laten eindigen konden we met  een duidelijk positief gevoel de bioscoop uitstappen. Maar nu, terugkijkend, voelen we ons ook bedrogen. We hadden ook willen zien hoe Freddy met zijn levensellende aan het eind is omgegaan. En wat wij daarvan  kunnen leren als ons ooit…. . Mogelijk is Freddy nu ernstig tekort gedaan. Want weliswaar is het laatste lied dat hij in de film zingt ‘We are the champions, my friends’. Maar niet voor niets luidt de tweede regel daarvan ‘And we’ll keep on fighting ‘til the end’, we vechten door tot aan het eind. Ik sluit niet uit dat juist zijn eindgevecht Freddy’s grootste prestatie is geweest.

Mensvijandige verklaring

Als iemand je iets wil geven maar je neemt het niet aan, van wie is het dan? Het is een vraag die bij mij opkwam na lezing van de Nashville-verklaring, een pamflet van een aantal Amerikaanse geestelijke voormannen dat onlangs ook in het Nederlands is vertaald en onderschreven, onder andere door SGP-voorman van der Staaij. Daarin doen ze uitspraken over ons gedrag in huwelijk en sexualiteit die allesbehalve zachtzinnig zijn. Ik noem een aantal. Sex voor het huwelijk is zondig. Sex buiten het huwelijk nog zondiger. Ook scheiding is een grote zonde, evenals sex met personen van hetzelfde geslacht. De optelsom is gauw gemaakt. Gegeven het feit dat circa 40% van de huwelijken op een scheiding uitloopt, naar schatting 20-30% van de gehuwden af en toe buitenechtelijke sex heeft, tenminste 50-70% sex voor het huwelijk heeft en circa 15-20% sexuele omgang met leden van hetzelfde geslacht heeft of had, leven we allemaal in zonde. En niet zelden in meervoudige zonde. De kernboodschap van de Nashville-verklaring aan ons is daarom – de woorden zondig en zonde komen er zo’n 20 keer in voor  – onmiskenbaar: ‘jullie zijn, zonder uitzondering, zondaars’. ‘What else is new?’ Het is een boodschap die al eeuwenlang door bepaalde religieuze groeperingen wordt verkondigd. En blijkbaar vond een groep hedendaagse geestelijke leiders het nodig die weer eens uit te bazuinen. Tot zover inderdaad niets nieuws. Maar waarom is er nu dan toch zoveel ophef over dat zelfs het Openbaar Ministerie nagaat of er sprake is van een strafbaar feit? Dat komt omdat de Nashville-verklaring in de media voornamelijk is neergezet als een antihomo pamflet. Dat is een ernstige vergissing. Het gaat veel verder dan dat. Het is een mensvijandig pamflet. En het is  een toppunt van hooghartigheid. ‘Jullie mensen’, zo wijzen de ondertekenaars naar ons allemaal, ‘ leven tegen de bedoeling van de natuur en de schepping in – dat hebben wij met elkaar vastgesteld – en roepen jullie dringend op daarmee te stoppen. Want anders!’ Ja wat anders eigenlijk? Daarover wordt  niets concreets gezegd. Tenminste niets in de zin van rampen die over de aarde zullen neerdalen of enkele reizen naar de hel. Maar tussen de regels door is een dreigement voelbaar: ‘als jullie je leefwijze niet veranderen in de Goddelijke richting die wij kennen [tussen haakjes, blijkbaar zijn ze zelf brandschoon], dan kan het niet anders dan dat jullie uiteindelijk (in het hiernamaals) daarvoor de rekening  gepresenteerd krijgen’. Hoe men het ook wendt of keert, het pamflet zal daarom bij een aanzienlijke groep mensen angst oproepen. Hen terroriseren, psychologisch gezien. Hebben de ondertekenaars dat ook zo bedoeld? Ze hadden het zich in ieder geval vooraf moeten realiseren. De ochtend voordat ik dit opschreef, vertelde een kennis me dat haar 16-jarige homoseksuele zoon naar aanleiding van het rumoer over het pamflet, haar min of meer angstig had gevraagd “Mama, ben ik tegennatuurlijk?” Waarop zij wijselijk had geantwoord: “Lieverd, hoe kom je erbij. Je bent mijn natuurlijke zoon.”

Mijmer meer

Oudejaarsdag. Ik zit in de bioscoop en kijk naar de film Bohemian Rhapsody, soms met tranen in mijn ogen. Vooral bij de scènes waarin Freddy Mercury, de leadzanger van Queen, de band waar de film over gaat, aan zijn vriendin de liefde verklaart. De essentie van liefde zegt hij is niet zozeer van elkaar houden als wel in elkaar geloven. Geloven het beste, het meest bizondere, het meest lieve in elkaar naar boven te willen en te kunnen halen. En toen was het pauze, ging het doek op wit en stonden vrijwel op slag tal van mensen op. Om versnaperingen of het toilet te halen. En rondom mij haalden tal van anderen die bleven zitten ook als op slag hun mobiel te voorschijn. Dat was ook mijn eerste neiging. Maar vrijwel meteen onderdrukte ik die ook weer. Het was alsof er iets in mij zei dat ik de diepe emotionele indruk die de laatste filmbeelden op mij gemaakt hadden, onrecht aan zou doen door domweg wat op mijn mobiel te gaan zitten vingeren. Hoe ik erop kwam weet ik niet meer, maar in stilte gaf ik mezelf de opdracht ‘ga mijmeren’. (Toen ik later thuis de herkomst van dat woord opzocht, werd me duidelijk hoe treffend het was. Mijmeren komt van het oudGriekse woord ‘mermeros’ wat zoiets betekent als ‘waar men aan blijft denken’). Ik heb een tijdlang in de bioscoop zitten nadenken over die kern van liefde volgens Freddy. Op een gegeven moment werden mijn mijmeringen onderbroken doordat iemand langs mijn stoel moest. Terwijl ik opstond,  de pauze liep op zijn einde en het licht werd langzaam gedoofd, zag ik, de zaal inkijkend, een zee van lichtgevende schermpjes om me heen. Is dat wat techniek met ons doet, vroeg ik me, weer gaan zittend, af? Ons voortdurend van de ene activiteit in de andere, van de ene indruk in de andere laten buitelen, zodat er eigenlijk nooit meer echte pauzes zijn. Neem de TV. Terwijl het ene programma nog loopt wordt het andere al herhaaldelijk aangekondigd, en tussen beiden in worden ook nog eens de meest belachelijke  productpresentaties geperst. Ieder gaatje in tijd of agenda moet worden volgeplempd. Wat doet het met ons brein en met onze levenshouding als we voortdurend worden verleid om het mijmeren te vermijden? Het antwoord is griezelig. Die overproductie en overconsumptie maakt dat we voornamelijk verzamelaars van indrukken en ervaringen zijn geworden in plaats van verwerkers en zingevers. Dat is ook wat ik in mijn psychologische praktijk steeds vaker zie: ‘zin-loze’ mensen. Mensen op zoek naar zin door als maar meer indrukken en ervaringen te consumeren en te communiceren maar onbewust van het feit dat  juist daarin hun probleem ligt, dikwijls symptomatisch uitgedrukt in de vorm van een burn-out of depressie-klacht: ze kunnen de pauzeknop maar niet vinden. Daarom is het ook niet gemakkelijk mensen ervan te overtuigen dat je tot stilstand komt als je nooit stil staat. Als je nooit meer mijmert.

Loslaten is de kunst

Als de voortekenen niet bedriegen zullen er in het nieuwe jaar tenminste weer zo’n 35 duizend scheidingen plaatsvinden en zijn bij  ongeveer de helft daarvan minderjarige kinderen betrokken. Voor velen daarvan geldt dat de scheiding van hun ouders niet in hun (ontwikkelings-)belang en diep verdrietig is en mogelijk voorkoombaar. Zoals deze. Onlangs tijdens de jaarlijkse kerstlunch met oud-collega’s nam een van hen die ook een goede vriend is, mij na afloop apart. Hij vertelde dat hij smoorverliefd was  op een andere vrouw en overwoog te gaan scheiden. Zijn vrouw wist nog van niks. Op mijn vraag of hij nog van haar hield, antwoordde hij: ,,ja, toch wel, maar het is anders, lang niet zo bizonder, niet zo hartstochtelijk’. Ik heb het al zo vaak gezien, mannen die zich als een ledepop laten spannen tussen twee vrouwen. Een waarmee ze een oude relatie hebben, met tal van goede herinneringen en kinderen maar ook met de banaliteiten en irritaties van het gewone alledaagse leven. En een waarmee ze een relatie hebben met uitsluitend onalledaagse, bizondere, dikwijls stiekeme ervaringen en (nog) ongehinderd door oude patronen en praktische verantwoordelijkheden. Zijn antwoord op mijn vraag of hij bereid was om aan de relatie met zijn vrouw te werken, was daarom typerend: ,, Weet ik eigenlijk niet, want dan moet ik natuurlijk het contact met haar (vriendin) verbreken? Ik denk vaak, had ik haar maar twintig jaar eerder ontmoet!’’ Maar dat heeft hij niet en dus moet hij maar wil eigenlijk niet kiezen. In de prachtige film The Prince of Tides naar het gelijknamige boek van Pat Conroyd is dit het centrale thema. Een man, al vele jaren getrouwd en kinderen, wordt hartstochtelijk verliefd op de vrouwelijke psychiater waarbij hij in behandeling is. En zij op hem. Als hij een keuze niet langer uit de weg kan gaan, besluit hij toch voor zijn vrouw en kinderen te kiezen. En legt die keuze als volgt aan zijn minnares uit: ‘Ik hou meer van jou, maar van haar houd ik langer’. De film eindigt met te laten zien hoe hij ondanks het feit dat hij bijna dagelijks met pijn aan haar terugdenkt, vrede heeft met zijn beslissing. En wel omdat hij daarmee al die andere mensen om hem heen het meeste recht en de minste pijn doet. Ik heb mijn oud-collega aangeraden de film te bekijken. Hij beloofde dat te doen, maar voegde er onmiddellijk aan toe ‘ik moet er niet aan denken dat ik tegen haar (vriendin) moet zeggen dat ik de relatie definitief verbreek’. Ik heb hem uitgelegd dat hij daar juist wel en heel vaak aan moet denken. Zo vaak dat hij het zichzelf tegen haar kan horen zeggen: ‘ik moet jou laten gaan want ik wil mijn eerdere keuzes trouw blijven’. Of om het in de woorden van het beroemde boek van de Tao (de Tao Te Ching) te zeggen: ,,De wereld wordt veroverd door hen die haar laten gaan.’’

Zinvolle eenzaamheid

Vorige week gaf ik in Haarlem een lezing naar aanleiding van de voorpublicatie van het boek Leven is Loslaten. Tijdens de signeersessie na afloop wenste een deelneemster mij goede feestdagen en ik haar hetzelfde. Waarop ze even bleef staan en min of meer plompverloren terwijl er anderen om ons heen stonden, vroeg: ‘Kunt u goed tegen eenzaamheid?” Mijn onnadenkend onmiddellijke reactie was: “Ik denk het wel”. Toen ik na afloop mijn spullen bijeen aan het pakken was, was ze daar opeens weer.  Nog voor ik had kunnen zeggen dat er mensen op mij stonden te wachten, kwam ze met een tweede vraag. “Kunt u míj dat leren, goed tegen je eenzaamheid te kunnen?” Het verdriet dat ik daarachter vermoedde deed me stilstaan. Er volgde een gesprek dat zeker  een twintigtal minuten duurde. Een tamelijk confronterend gesprek, voor mij in ieder geval. Mijn aanvankelijke antwoord dat ik goed tegen eenzaamheid kan, moest ik al gauw nuanceren. Ik kan goed alleen zijn en ben geregeld, door de aard van mijn werk, alleen. Maar dat is mijn eigen keuze en altijd in de wetenschap dat ik binnen afzienbare tijd, meestal niet meer dan enkele uren, weer mensen om me heen zal hebben. Maar ik ben nooit dagen achtereen alleen, zelfs geen dag. Dus weet ik eigenlijk helemaal niet hoe het is om eenzaam te zijn in de zin van graag mensen met soortgelijke interesses en levensinstelling om je heen hebben maar ze niet hebben en maar moeten afwachten of dat een keer gebeurt. Of verlangen naar liefdevol-intiem contact met een ander, maar zo iemand niet meer, dat bleek het geval bij haar, en mogelijk nooit meer hebben. Ik heb, bij mijn weten, nog nooit in een situatie verkeerd waarin er niemand (meer) was die uitdrukkelijk van mij hield en omgekeerd. “Maar dat” zei ze, “kan ook u ooit overkomen. En bent u er dan op voorbereid?’ Ik heb eerlijkheidshalve moeten antwoorden dat ik dat niet weet. Maar inmiddels houden de vragen “ben ik op eenzaamheid voorbereid” en “hoe bereid je je daarop voor”, me wel bezig. Helemaal omdat ze iets zei dat ik me nooit zo gerealiseerd heb maar dat de kern van eenzaamheid raakt. Iets dat duizenden jaren geleden al zo heftig beschreven werd in het meest psychologische van alle bijbelboeken, het boek Job: “mijn broers houden zich verre van mij, mijn bekenden zijn vreemden voor mij, verdwenen zijn mijn verwanten, mijn gasten zijn mij vergeten…al mijn getrouwen verafschuwen mij…die ik liefhad keren zich van mij af”. In haar woorden tegen mij: “Als de mensen die belangrijk voor je zijn allemaal gestorven of onbereikbaar zijn, er niemand over is waardoor je echt bemind voelt, dan ben je altijd en te midden van alle mensen eenzaam”. Ik geloof dat dat klopt. Maar ik geloof ook dat je leven ook dan nog heel zinvol kan zijn, In mijn woorden tegen haar: “We moeten er hoe dan ook voor zorgen dat onze dóelen nooit opraken”.

Jeugdige eenzaamheid

Soms als ik me in mijn werk met niet zo gemakkelijk opvoedbare jongeren wil inleven in hoe anders zij tegen de wereld aankijken, dan gebruik ik de herinnering aan de volgende gebeurtenis nog weleens als brug. Ik zal een jaar of vijftien zijn geweest en hetzelfde zal gegolden hebben voor haar, Rieteke, een meisje waar ik af en toe mee optrok. Wat ons vooral bond waren de moeilijkheden die we beiden met onze ouders hadden. Op een avond was het bij mij thuis zo hoog opgelopen dat ik, ook al was het 10  uur of daaromtrent, woedend het huis had verlaten en voorlopig niet van plan was daar terug te keren. Alleen wist ik niet waar ik dan naar toe moest. Ik besloot daarom, zonder veel hoop overigens vanwege het late uur, bij haar langs te gaan. Tot mijn verrassing, ze woonden op een bovenhuis met aparte trapopgang, zat ze daar. Dikke tranen in haar ogen. Alsof we het zo hadden afgesproken had ook zij een heftige ruzie met haar ouders achter de rug die haar naar boven hadden gestuurd. Maar in plaats daarvan was zij naar buiten gegaan. Het volgende uur zijn we door de stille straten van Sneek gelopen, elkaar en ons zelf er steeds heftiger van overtuigend dat we niet terug moesten gaan. Maar wat we dan wel moesten, bleef onduidelijk totdat ze op een idee kwam. “Laten we gaan trouwen” stelde ze voor, “en dan gaan we gewoon samen weg. Want als je getrouwd bent, ben je volwassen en kun je doen doen wat je wilt.” Ik wist niet of het klopte wat ze zei en ik zag ook niet precies in hoe we dat trouwen op dit late uur  moesten regelen. Maar creatief als ze was had ze daar meteen al een oplossing voor. “We gaan naar de pastorie (die naast de kerk aan de Singel in Sneek), bellen aan, die zijn vast nog wel op, en vragen aan de pastoor of kapelaan of die ons wil trouwen.” Ik zie het nog voor me. De kapelaan die open deed, ons stom verbaasd aankeek, maar ons niet de deur wees toen zij zei waarvoor we kwamen. Integendeel. Na een “zo, dat verzoek krijg ik niet vaak op dit uur” nodigde hij ons uit binnen te komen. Ik denk dat we zeker twee uur zijn gebleven. En het gesprek dat we daarin gedrieen hadden behoort tot een van mijn beste jeugdherinneringen. Een volwassene waar je als jongere tegen opkijkt, maar die niet oordeelt laat staan veroordeelt. Die zomaar, zonder daar iets voor terug te vragen, tijd aan je geeft zolang als je nodig hebt om je uit te spreken. Die alleen maar wil begrijpen en zich daarom beperkt tot luisterend vragen. En die jouw antwoorden op zijn vragen bij voorbaat serieus neemt. Vooral deze vraag en  dit antwoord zijn mij bijgebleven. Hij: “Waarom willen jullie eigenlijk trouwen?” Zij: “Omdat we niet langer eenzaam willen zijn”.

Verbied zelfmoord

In de documentaire De twee gezichten van Ahmed Aboutaleb[1]stelt interviewer Frenk van der Linden de Rotterdamse burgemeester op een gegeven moment de volgende vraag: ‘Is het correct dat uw zus een einde aan haar leven heeft gemaakt?’ Aboutaleb, die afgaande op zijn gezichtsuitdrukking begrijpelijkerwijs niet op een dergelijke vraag zit te wachten, antwoordt niettemin openhartig: ‘Ik heb een zus die zelfmoord heeft gepleegd.’

Wat is er mis met dat antwoord? Het antwoord: alles. De reden dat er van alles mis mee is, is deze. In ons taalgebruik betekent de combinatie van ‘plegen’ en een gedragsbeschrijving vrijwel altijd dat de betrokkene iets verbodens of zelfs misdadigs heeft begaan. Je pleegt een aanslag, een diefstal, bedrog, je pleegt een moord, je pleegt zelfmoord. Ik weet niet of Aboutaleb met zijn antwoord de bedoeling had om uit te drukken dat zijn zus in zijn ogen iets onaanvaardbaars of misdadigs had gedaan door zelf een eind aan haar leven te maken. Maar waarom gebruikte hij dan wel woorden als ‘(zelf)moord’ en ‘plegen’, waarin dat oordeel als het ware al in ingebed is?

Hij is helaas niet de enige. Tal van nieuwsrubrieken, kranten, journalisten en de meeste ‘gewone’ mensen doen hetzelfde. Zelfs 113, de landelijke hulporganisatie op dit terrein, heeft het steevast over zelfmoordpreventie en praten over zelfmoord. Waarom? Het antwoord is pijnlijk. Dit woordgebruik is een late echo van vele eeuwen waarin zelfdoding werd beschouwd als een misdrijf en wel het ergste misdrijf, de ergste moord, die een mens kan begaan. Of zoals het in een geschrift uit 1555 staat: ‘… wie iemand doodt, die doodt slechts een lichaam. Maar wie zichzelf doodt, die doodt lichaam en ziel.’ Zelfdoding als dubbele moord. Vandaar dat de straffen ook dubbel zo gruwelijk waren. Niet zelden werd eerst in een proces de (al dode) zelfdoder ter dood veroordeeld vanwege zijn zelfdoding, en werd daarna zijn of haar dode lichaam opgehangen of onthoofd. Daarna werd het lichaam achter ezels of honden gebonden door de straten gesleept, met een staak die in het hart was geduwd, om ten slotte in stukken gehakt als voer voor de wilde dieren te dienen. De zelfdoder was door zijn daad voor eeuwig een ‘niet-mens’ geworden, een beest gelijk.

Die aan razernij grenzende gruwelijke houding zit blijkbaar nog zo diep in ons sociale dna gegraveerd, dat we blijven vervallen in dat verschrikkelijke, criminaliserende en onterechte taalgebruik. Want zelfdoding is geen moord. Van ‘hij die opzettelijk en met voorbedachten rade een ander van het leven berooft’, onze definitie van moord, is helemaal geen sprake. Er wordt geen ander gedood. Er wordt zelfs niemand tegen zijn of haar wil gedood. En degene die de doding voltrekt doet dat met instemming van het slachtoffer, dus van zichzelf.

Kortom, de buitensporig wrede veroordeling door onze voorouders van zelfdoding mag niet langer ons taalgebruik gijzelen. ‘Zelfmoord’ en ‘plegen’ zijn wrede, bevooroordelende woorden. Van der Linden droeg bij aan het neutraliseren van die bevooroordeling en daarmee aan het ongedaan maken van die gijzeling, door zijn vraag aan Aboutaleb zo te stellen als hij heeft gedaan: ‘Is het correct dat uw zus zichzelf heeft gedood?’

Nu nog de Aboutalebs van deze wereld ertoe zien te krijgen om op deze maner over wijlen hun verwanten te denken en te spreken die op deze wijze het leven uit zijn gegaan.

Want hoe dan ook, de conclusie kan geen andere zijn dan dat de termen  zelfmoord’ en ‘zelfmoord plegen’ overblijfselen zijn van de veroordelende en criminaliserende houding van eerdere generaties ten aanzien van het zelf een einde aan het eigen leven maken. Maar juist door die er in opgesloten liggende veroordeling is het voor veel nabestaanden een pijnlijke term, die het leed voor hen vaak alleen maar schrijnender maakt (zie box)

“Acht jaar geleden nam onze zoon het besluit zijn leven te beëindigen. Dat was op zich al een groot verdriet. Maar dan dat woord zelfmoord dat alsmaar gebruikt wordt en werd. Ik veranderde het in gedachten steeds in zelfdoding en nu… nu stond het in de krant. Al acht jaar hoopte ik op een column als vanochtend. De tranen stroomden me al lezend over mijn wangen, tranen van verdriet, van ontroering, maar vooral van opluchting”.’[2]
[1] Zie o.a. Youtube.com De twee gezichten van Ahmed Aboutaleb
[2] Uit de brief van Alice Koome, 11 januari 2016, met haar toestemming, naar aanleiding van de column ‘Verbied zelfmoord’, in de dagbladen van de Holland Media Combinatie op 11 januari 2016. In die column pleit de auteur van de column voor een verbod op het gebruik van het woord zelfmoord door de overheid, de media en andere publieke organen.