Stop het hamstervirus!

Afgelopen vrijdagavond omstreeks 7 uur. Ik ga naar de  Albert Heijn bij mij in de buurt om spaghetti te kopen. Bij binnenkomst val ik van de ene verbijstering in de andere. Tal van schappen blijken, op enkele eenzame verpakkingen na,  zo goed als leeg. Alsof er een orkaan door de zaak is gegaan en alles op zijn weg heeft weggeblazen. Ook in het pasta-schap. Geen spaghetti meer te bekennen. Een vakkenvuller die ik er naar vraag, antwoordt dat er morgen wel weer zal zijn maar dat ik dan flink vroeg moet komen. ‘Want ze nemen het soms wel met tien pakken tegelijk mee’. Op dat moment komt een vrouw voorbij met een bergtop aan producten in haar winkelwagen die minstens 10-20 centimeter boven de rand daarvan uitsteekt. Meteen daarop een man met een eveneens overvolle wagen en een enorm pak toilet- of keukenpapier onder zijn arm, die doodgemoedereerd hardop tegen de vrouw naast hem uitroept “ziezo, daar kunnen we  weer een maand mee vooruit’. Als ik even later met de weinige boodschappen die ik nog kon doen, naar huis rijd, bedenk ik dat er niet een maar twee virussen rondwaren. Een lichamelijk en een psychisch virus. Beiden zijn van mens op mens overdraagbaar en hoogst besmettelijk. Zo voelde ik daarnet in Albert Heijn het psychische virus, dat tot hamsteren aanzet, bij aanblik van die overvolle winkelwagens zich ook even in mij roeren. Beide virussen zijn levensgevaarlijk. Het lichamelijke virus kan ons lichamelijke immuunsysteem slopen. Maar het psychische virus kan door gedachten als  “Wat kan mij het schelen of er iets voor anderen overblijft als ik maar genoeg heb” en het gedrag wat daaruit volgt ons sociaal immuunsysteem slopen. Het sociale weefsel dat ons bindt en ons elkaar doet vertrouwen en beschermen. Scherper gezegd. Hamsteren is anti-sociaal gedrag in de meest letterlijke zin van het woord. Want het sloopt het meest belangrijke sociale kapitaal waarover we beschikken: wederzijds vertrouwen. In haar prachtige boek Dilemmas of Trust noemt Govier vertrouwen de lijm van de samenleving. De twee componenten van die lijm zijn goede intenties en competenties,  het hebben van goede bedoelingen jegens anderen en weten hoe die waar te maken. Mensen vertrouwen is verwachten dat zij goed of juist jegens ons zullen handelen, en dat ze weten hoe behalve met hun eigen ook met onze belangen rekening te houden en ons niet te schaden. En terwijl we juist in deze tijd van crisis niets zozeer nodig hebben als wederzijds vertrouwen, als geloof in de goede intenties en competenties van elkaar, zijn er mensen bezig, de  hamsteraars, ons met wantrouwen te besmetten. Het kan daarom niet toevallig zijn dat het woord hamsteren is afgeleid van een oud-Iraans woord dat ‘de vijand, die omverwerpt’ betekent. Hamsteraars werpen het vertrouwen tussen mensen omver. Ik roep de supermarkten op die schuingedrukte zin de komende weken boven hun ingang te hangen. En alle lezers om als er nog twee pakken spaghetti over zijn, er een te laten liggen.

“Je moet iets doen!”

Aan mensen uit mijn omgeving stel ik af en toe de vraag ‘waar zijn we nou eigenlijk bang voor wat dat Corona-virus betreft?’ Het eerste spontane antwoord is vrijwel altijd: voor de dood. Kortom, Corona-angst zou eerst en vooral doodsangst zijn. Ik betwijfel dat. Met het woord ‘doodsangst is iets  vreemds aan de hand. Voor alle angsten – of het nu gaat om fobiee¨n als die voor dieren, bloed, injectienaalden, onweer, vliegen en noem maar op – geldt dat ze betrekking hebben op ‘dingen’ die je kunt ervaren of zien. Behalve doodsangst. Je kunt de dood niet ervaren. Als je dat wel zou kunnen zou je immers niet dood zijn.  Je kunt dus ook niet bang zijn voor de dood. Je kunt alleen bang zijn vo´ o´ r de dood. Dat wil zeggen voor het proces van doodgaan of sterven. Of precieser, voor de gedachten en gevoelens die je verwacht nog bewust te zullen ervaren als het virus bezig is je leven uit te doven. Angst voor het virus is daarom in ieder geval anticipatie-angst. Een treffend woord: ‘anticipatie’. Het  komt van het Latijnse woord anticipare, dat zoiets betekent als ‘vooruitgrijpen’. Angst vo´ o´ r het virus is ‘vooruitgrijpende  angst’. Het is angst die voorbij het heden grijpt naar gevoelens die je denkt te zullen hebben en de risico’s die je denkt te zullen lopen als je de besmetting hebt opgelopen. Maar dat is psychologisch wat het virus betreft niet het hele angstverhaal. Een ander aspect van de virus-angst is angst voor controleverlies. Verlies van controle over de verspreiding van het virus in je directe omgeving. Die angst heerst momenteel wereldwijd. Dat is duidelijk te zien aan het gedrag van degenen die op dit punt beleid moeten maken en ons informeren en adviseren. Ze zullen het liever niet hardop zeggen maar ook zij verkeren voortdurend in de greep van de angst voor controleverlies over besmetting. Onzeker als ze zijn over de effectiviteit van bepaalde maatregelen, zullen ze die toch  voorstellen of opleggen,  enkel en alleen om de geruststellingssuggestie die van actie kan uitgaan. Zowel naar het publiek als naar hen zelf: ‘we doen tenminste iets’. Wat ieder van ons persoonlijk betreft brengt de angst voor controleverlies ons er toe ‘dingen’ te doen als mondkapjes te dragen, onze handen volgens voorschrift vaker te wassen, bepaalde bijeenkomsten te vermijden, ons in huis terug te trekken. Allemaal maatregelen waarvan het effect niet of maar beperkt bekend is. Maar het zijn wel maatregelen waardoor we onze angst voor verlies van controle verminderen, “we doen tenminste iets”, hoewel die daarmee niet verdwijnt.  Want het virus is onzichtbaar. En controle over een onzichtbare vijand is en blijft een ondoorzichtige onderneming en niet zelden vooral een schot in het duister. Sigmund Freud, de bekendste van alle psychologen ooit, zei dat hij voor niets zozeer angst had als voor verlies van controle. Om daar aan toe te voegen: “Enkel met denken wordt die angst niet minder. Je moet iets doen.”

Vertrouw de piloot

Afgelopen vrijdag was ik in de Sint-Martinuskerk in Sneek, mijn geboorteplaats, voor de opname van een interview voor het EO-programma Adieu God. Vlak voor de opname zei ik tegen interviewer Tijs van den Brink dat ik nog even een rondgang door de kerk wilde maken. Ik wilde doen wat ik altijd doe als ik een kerk bezoek, een kaars aansteken en een wens doen. Ik heb enige tijd getwijfeld over welke wens. Voor de hand lag een goed interview te wensen. Maar dat voelde toch als te egocentrisch in een wereld waarin de angst voor besmetting, ziekte en dood zo heftig om zich heengrijpt. Uiteindelijk heb ik half fluisterend als wens geuit” ‘zorg er alsjeblieft voor dat we niet in paniek raken’. Aan wie ik die wens heb gericht? Aan de God, de zoon of de moeder die in deze kerk vereerd worden? Ik denk eigenlijk vooral aan de mensheid, mijzelf inbegrepen. Want wat als dat gebeurt, wereldwijd, als het panisch ieder voor zich wordt? Dat risico bestaat wel degelijk. Ook in mij. Als ik lees of hoor dat mensen aan het hamsteren zijn geslagen, dan voel ik een zekere angst-aandrang om dat ook te gaan doen. Terwijl ik weet dat ik, dat wij met zijn allen daartegen krachtig nee moeten zeggen, die aandrang hoe dan ook moeten onderdrukken. Want als die losbreekt, vrijspel krijgt, dan betekent dat chaos, hel, en de doodsteek voor solidariteit. Maar hoe zorg je dat jij zelf en de mensen om je heen niet in paniek raken? Ik weet inmiddels uit ervaring en wetenschap dat drie ‘dingen’ belangrijk zijn. Een is, spreek over je angsten met anderen, ook als ze in je eigen ogen overdreven of maf of ‘gestoord’ zijn. Twee is, beperk je ‘inname’ van berichtgeving over de bedreiging. Besluit om iedere dag,  hooguit dertig minuten informatie over de laatste stand van bedreiging te consumeren. En drie, besluit de mensen te vertrouwen die namens overheid en wetenschap informatie en advies verstrekken. Die drie ‘dingen’ kwamen een jaar of wat geleden op een treffende wijze samen tijdens een KLM-vlucht van Amsterdam naar Frankfurt. Op een gegeven moment kondigde de piloot aan dat we terugmoesten naar Amsterdam vanwege problemen met een cockpitcomputer. Nauwelijks was hij uitgesproken of de vrouw naast mij vroeg “what did he say?” Ik antwoordde dat en waarom we terug naar Amsterdam moesten. Ze reageerde op slag met een angstig ‘Oh God’ en vroeg vervolgens bijna panisch “do you think we’ll gonna make it back to Amsterdam?”  “I don’t know” was aarzelend mijn antwoord “but he, the pilot, says so”. Waarop zij met de cruciale vraag terugkwam: “But do you trust the pilot?” Daar moest ik echt even over nadenken, want mijn eigen houding onderzoeken en positie kiezen. Dat leidde tot dit antwoord: “I decide to trust the pilot”. Tijdens de terugvlucht heb ik haar en de vriendin waarmee ze vloog meerde keren zachtjes horen fluisteren: “We decide to trust the pilot”.

Operatie Schone Handen

Operatie Schone Handen

Rene Diekstra

Het is druk in het herentoilet van de bioscoop. Ik sta met vier anderen te wachten en drie mannen die al wel aan het afwateren zijn op de rug te kijken. Vies is te sterk uitgedrukt, maar ik vind het altijd weer een ongemakkelijk wachten en een weinig esthetisch vergezicht. Maar vies wordt het voor mij opeens wel als een van de voorgangers klaar is, de wastafel volslagen negeert, de deur met de hand bij de kruk opent en naar buiten stiefelt. Ik begin meteen al te denken hoe ik dadelijk zonder die kruk te hoeven beetpakken naar buiten kom. Als oplossing besluit ik om na het handwassen te wachten tot de deur van buitenaf wordt open geduwd door een volgende patient en ik ‘m met mijn elleboog overneem en zo ontsnap. Dan blijkt als ik voor de wastafel sta, dat er geen zeep meer in de dispenser zit. Dus is er al een hele reeks mannen voor me geweest die met ongewassen  handen – water alleen helpt onvoldoende, je moet zeep gebruiken – hier in en uit zijn gelopen en vervolgens weet ik wel niet wat allemaal met ongewassen handen hebben aangeraakt. Trapleuningen, liftknoppen, zaaldeuren. Ik zal er nauwelijks aan ontkomen om ook mijn ongewassen handen op al aanwezige ongewassen handafdrukken te leggen. Terwijl ik even later  langs de bar naar mijn zaal loop, vraag ik me opeens af of de mannelijke bediende daar naar datzelfde onwasbare toilet ga waar ik net vandaan kom? Ik besluit acuut dat flesje spa dat ik wilde kopen toch maar niet door hem aan te laten reiken. Helaas houdt mijn besmettingsparanoia niet halt na afloop van mijn bioscoopbezoek. Terwijl ik een restaurant naast de bioscoop binnenloop, dringt het besef zich aan mij op dat ze ook daar weleens zeeploze toiletten zouden kunnen hebben, ook voor het personeel, de koks inbegrepen die meestal alles met blote handen doen. Op de drempel van het restaurant besluit ik rechtsomkeer te maken. Naar huis, naar zeep. En dan, zoals zo vaak, komen op de terugweg de vragen op. Hoeveel mensen wassen na toiletbezoek  hun handen op de juiste manier: goed insmeren met zeep, tenminste 20 seconden handenwringend (de duur van ‘happy birthday’ neuriend) wassen, dan drogen  met papier of handdoekautomaat (svp niet met een blazer). Zou dat verschil maken voor de verspreiding van ziekten? Uit onderzoek blijkt dat bijvoorbeeld op luchthavens slechts 6 tot maximaal 20 % van de reizigers het goed doet. Maar ook dat als we dat weten te verhogen tot zeg 60%, dat  een enorme reductie kan opleveren van de verspreiding van besmettelijke ziekten, mogelijk tot circa 70 %! Kortom, handhygiene is een van de belangrijkste factoren voor het indammen of voorkomen van infecties. Ook Corona-infecties. Hoog tijd dat bedrijven en burgers voor deze zo effectieve en eenvoudige gezondheidsbescherming de handen in elkaar slaan. Hoog tijd kortom voor een nationale campagne ‘Wij Hebben Schone Handen’. En laten we dan tegelijk afspreken dat ongewassen voortaan gelijkstaat aan onverantwoordelijk.

Het recht op autopsie

Afgelopen donderdag gaf ik in de Hogeschool Inholland in Haarlem een college over de Zin en Preventie van Zelfdoding. In de zaal een kwa leeftijd en sexe zeer gemengde groep van zo’n 120 deelnemers, overwegend werkzaam in de zorg. Op mijn vraag wie van hen ooit een zelfdoding in eigen kring – familie, vrienden, kennissen, collega’s, clienten/patienten – had meegemaakt, stak ruim tweederde een hand op. Toen ik na afloop met mijn vrouw terug naar huis reed, zei ze onder de indruk te zijn van het grote aantal aanwezigen dat op mijn vraag bevestigend geantwoord had. “Natuurlijk is deze groep niet representatief, maar het roept wel de vraag op hoeveel mensen uberhaupt nabestaande zijn van een zelfdoding in hun familie of omgeving”. Die vraag heeft me zeer aan het denken gezet. Want met uitzondering van een, overigens beperkte, studie die ik zelf ooit uitvoerde, is mij geen onderzoek daarnaar bekend. Ook niet in andere landen. Goed beschouwd is dat een ernstige, zo niet verwijtbare leemte in onze kennis. Want laten we eens aannemen, zoals een aantal auteurs op dit gebied doen, dat bij iedere zelfdoding er gemiddelde 5 nabestaanden zijn wier leven door de emotionele, sociale en praktische gevolgen daarvan ernstig en niet zelden voorgoed ontwricht raakt. Dat betekent, met circa 2000 zelfdodingen jaarlijk ons land, dat er ieder jaar opnieuw  zo’n 10.000 mensen bijkomen die in de diepverdrietige en niet zelden gewoonweg niet te verwerken situatie van nabestaande belanden. Thuisgekomen ben ik meteen verder gaan rekenen. Ik kom uit op circa 1.000.000 Nederlanders die op dit moment op de een of andere manier worstelen met de gevolgen van zelfdoding, die ergens in de afgelopen halve eeuw in eigen kring plaatsvond. En, afgaande op de zelfdodingstatistieken die de Wereld Gezondheids Organisatie (WHO) bijhoudt, zijn dat er wereldwijd circa 300.000.000. Honderden miljoenen mensen waarvan een groot deel worstelt met die knellende zich alsmaar herhalende vragen als: Waarom? Waarom moest het zo aflopen? Waarom heb ik het niet tijdig zien aankomen? Waarom heb ik het niet kunnen voorkomen? Waarom heeft mijn kind/mijn partner ons niet kunnen/willen zeggen hoe erg zij/hij er aan toe was? Als een van je dierbaren, kind of volwassene, door een ander wordt gedood, dan heb je er recht op dat wordt uitgezocht hoe dat heeft kunnen gebeuren en of het te voorkomen was geweest. Daarvoor hebben we een overheid, politie en justitie. Maar als een dierbare zichzelf doodt, dan is er geen enkele instantie die tot taak heeft uit te zoeken hoe dat heeft kunnen gebeuren en of dat te voorkomen was geweest. Met als gevolg dat de Waarom vragen maar blijven komen en kwellen en dat we als samenleving er niets van leren. De conclusie? Er moet een wettelijk recht komen voor directe nabestaanden van zelfdoding op psychologische autopsie, op onderzoek naar de toedracht en op antwoorden op die knellende Waarom-vragen? Helemaal als we bedenken dat nabestaanden zelf een verhoogde kwetsbaarheid voor zelfdoding hebben. De pijn van teveel onbeantwoorde vragen.

Generatieve herhalingsdwang

Op een avond, na afloop van een congres over Opvoeding en Ontwikkeling in Boedapest, kwam ik teruglopend naar mijn hotel langs een antiquarische boekhandel. In de etalage een aantal oude manuscripten. Mijn oog werd getrokken naar een dun boekje omdat de auteur Carl Gustav Jung was, een zeer invloedrijke psycholoog uit de vorige eeuw. Maar mijn interesse werd vooral gewekt door de titel ervan: Die Bedeutung des Vaters fur das Schicksal des Einzelnen (‘De betekenis van de vader voor het lot van een ieder’). Ik heb over Jung gepubliceerd en gedoceerd, maar deze publicatie kende ik niet. De volgende dag ben ik teruggegaan, heb 40 euro voor de 19 pagina’s betaald en ben gaan lezen in het café naast de boekhandel. Geen eenvoudige stof en bepaald confronterend. Zoals deze woorden: “Wanneer wij, normalen, ons leven psychologisch onderzoeken, dan zien we dat een machtige hand ons ongemerkt tot beslissingen leidt en niet altijd is die hand een goedaardige”.”Hand” staat hier voor ouderlijke hand en met name die van de vader, die al op zeer jonge leeftijd voorkeuren en gevoelspatronen in ons probeert in te graveren zodat we onze keuzes later zoveel mogelijk in overeenstemming daarmee maken. Wij denken dan wel, aldus Jung, dat wij als volwassenen bewust beslissen, maar veel van onze keuzes zijn ouderlijk voorgeprogrammeerd. Ons dat bewust maken is verhelderend, maar soms ook pijnlijk of zelfs vernederend. Want het bewijst dat we maar beperkt kapitein in eigen psyche zijn. Wij herhalen in ons  gedrag vaak keuzes en patronen van de generatie voor ons en die doet dat weer van generaties daarvoor. Noem het generatieve herhalingsdwang. Die maakt dat ons lot, onze levensloop, voor een aanzienlijk deel al in onze eerste tien twaalf levensjaren wordt bepaald. Jung’s stellingnames intrigeerden me indertijd zo dat ik me onder anderen een beeld wilde vormen van de invloed van Fred Trump, de in 1999 gestorven vader, op zoon Donald. Uit  verschillende biografieen blijkt dat Fred van heel jongsaf aan Donald indoctrineerde met opvattingen als ‘dat je familie altijd eerst komt, dat vrienden nooit voor het leven zijn (familie wel), dat je nooit opgeeft, dat je nooit ongelijk hebt of althans nooit toegeeft dat je dat hebt (behalve aan je vader), dat de eerste klap altijd meer dan een daalder waard is, dat je wat je eenmaal hebt nooit meer afgeeft (ook niet als je daar niet eerlijk aangekomen bent), dat als je rijk bent je dat ook zoveel mogelijk moet laten zien want rijkdom  imponeert de mensen en maakt je interessant, dat je nooit excuses aanbiedt en dat je verlies nooit toegeeft’. Maar vooral: ‘Dat winnen is niet alles. Het is het enige!’ In 2016 voorspelde ik op deze plaats meerdere keren dat met zo’n psychologische uitrusting Donald grote kans maakte de verkiezingen te winnen. Dat doe ik nu opnieuw. Vader Fred zal in November 2020 vanachter zijn grafsteen weer een feestje kunnen vieren. Of de rest van de levende wereld dat dan ook kan, betwijfel ik sterk.

Vaders en dromen

Tijdens mijn hoogleraarschap aan het University College Roosevelt in Middelburg was sociale psychologie mijn favoriete cursus. Daarin was onder andere een opdracht aan studenten om maandelijks uit een aantal wetenschappelijke tijdschriften een onderzoekspublicatie te kiezen die voor hen het predikaat ‘onderzoek van de maand’ verdiende. Iedere student deed daarvoor een onderbouwd voorstel en via stemming werd er een uitgekozen. Vervolgens besteden we daaraan uitgebreid aandacht. Van de ‘winnende’  publicaties is een me in het bizonder bijgebleven. Het betrof een onderzoek naar hoe zonen zich hun overleden vader herinneren. Daaruit bleek dat  voor zover ze positieve herinneringen aan hem hebben dat weinig of niets te maken heeft met diens eigenschappen als intelligentie, prestaties en rijkdom. Wat voor de herinnering aan hun vader vooral belangrijk blijkt, is  waar hij  voor stond, wat zijn waarden en dromen waren en, ongeacht succes of niet, in hoeverre hij zich had ingespannen die in zijn leven waar te maken en op zijn kinderen over te dragen. Discussierend  over dat  onderzoek kwamen spontaan twee bepaald confronterende vragen naar boven. Een was ‘weet ik eigenlijk wel wat de waarden en dromen van mijn vader zijn?’. Met uitzondering van de student wiens vader onlangs was overleden na een langdurig ziekbed waar hij intensief bij betrokken was geweest, gaven alle studenten aan daar wel een idee van te hebben maar daar nooit met hun vader echt over gesproken te hebben. “Dat zou ik eigenlijk wel een keer moeten doen” merkte een student over zichzelf op, gevolgd door instemmend knikken van de  anderen. Mijn reactie was dat ik het moedig en belangrijk  zou vinden als ze dat zouden doen. Helemaal als ze hier in de cursus de antwoorden van hun vaders (indien die instemde) bereid zouden zijn te delen. Dat waren ze. Het bleek een ‘oefening’ met grote positieve invloed op de sfeer in de groep en op het vervolg van de cursus. Onder andere door kruisverwijzingen naar elkaars vaders’ waarden en dromen. Alsof die soms mee aan tafel zaten. Maar af en toe was er ook iets dat mij dwars zat. Dat uitpluizend werd me duidelijk dat ik een soort van jaloers was. Waarom hadden mijn opleiders, toen ik student was, nooit zulke belangrijke confronterende ‘oefeningen’ gedaan?  Toen ik me dat liet ontvallen, reageerden mijn studenten ontroerend: “doe dan nu met ons mee’’. Heb ik gedaan. En opnieuw ervaren hoe leerzaam het voor een docent kan zijn bij tijd en wijle weer (mede)student te zijn. Zoals gezegd kwam tijdens de gesprekken over vaders en zonen op een gegeven moment ook een tweede confronterende vraag naar boven, namelijk: ‘wat zou je tegen je vader gezegd willen hebben als hij overlijdt?’ Ik vond het indrukwekkend te zien dat ook voor vrijwel alle mannelijke studenten gold dat het eerste antwoord was: “ik hou van jou”. “Gek eigenlijk”, concludeerde een student, “ dat je vaak pas tegen je vader zegt wat je wilt zeggen als hij het niet meer horen kan”.

Het laatste gesprek

Het zijn er inmiddels vele honderden en ze komen nog steeds binnen. De verzoeken van lezers het in mijn vorige column genoemde interviewschema te ontvangen dat ik gebruik(te) om studenten in het kader van een cursus levenslooppsychologie in gesprek te laten gaan met hun ouders. Veel te veel voor een persoonlijk antwoord, heb ik vanaf het allereerste verzoek toch besloten iedereen die er om vraagt, een link naar het schema en naar achtergrondsinformatie daarvoor te sturen. Eigenlijk is het correcter als ik in plaats van ‘vanaf’ schrijf ‘vanwege’. Want dat allereerste verzoek deed het ‘m. De vrouw die het deed, 47, schreef dat haar ernstig zieke vader, 73, waarschijnlijk binnenkort zou komen te overlijden. Mede naar aanleiding van de column – ze had ‘m gelezen terwijl ze aan zijn ziekbed zat – was ze zich bewust geworden van hoe weinig ze eigenlijk wist van de man daarnaast haar en van zijn levensloop. Eenmaal overleden zou hij eigenlijk een intieme vreemde voor haar blijven. Dat vond ze een heel verdrietige constatering. Reden om mij te vragen of het interview ook in deze situatie nog zinvol zou kunnen zijn. Ik heb naar eerlijkheid geantwoord dat ik daar geen ervaring mee heb, maar dat ik haar een link naar het schema en naar achtergrondsinformatie zou sturen om voor zichzelf te oordelen. Gisteren, zondag, ontving ik een mail van haar. Ze liet me weten dat haar vader de vorige avond was gestorven. Maar ze wilde me vooral laten weten dat ze aan de hand van het schema het gesprek met haar vader was aangegaan nadat ze hem eerst uitleg daarover gegeven had en hij daar, ze schreef ‘met tranen in zijn ogen’, zeer instemmend op had gereageerd. Vanwege zijn toestand had ze het interview over meerdere dagen uitgesmeerd. Hoewel het hem iedere keer na enige tijd vermoeide, deed het hem ook duidelijk goed om over zijn leven gedetailleerd te kunnen praten met iemand die daar oprecht geinteresseerd in was. Ze eindigde haar mail met iets dat haar diep ontroerd had. En mij, dat lezende, evenzeer. “Een van de laatste vragen in het schema is naar wat de geinterviewde beschouwt als de gelukkigste momenten in zijn of haar leven. Mijn vader antwoordde: ‘daar mag je onze gesprekken van de afgelopen paar dagen ook bij noteren’. “Dank”. Ik heb geantwoord dat ik op mijn beurt haar bedank deze ervaring met mij te hebben gedeeld maar vooral ook voor iets anders dat ze in haar bericht schreef: “Ik heb een dochter van 21 en een zoon van 20. Stel nou voor dat ik morgen verongeluk of overmorgen een aandoening krijg waardoor ik niet meer kan communiceren. Zouden mijn kinderen dan net zo onwetend naast mijn bed en lichaam zitten als ik nog afgelopen week aan het bed  van mijn vader? Ik denk dat ik ze ga vragen mij te interviewen”. En ik denk dat het onderhand tijd wordt dat ik dat ook aan mijn kinderen ga vragen.

Intieme vreemden

Als je opgroeit in een groot gezin, zoals ik, breng je zelden  tijd met je ouders alleen door. Ik heb lang gedacht dat ik daarom zo weinig wist van de geschiedenis van mijn ouders, van hun kinder- en jeugdjaren, de belangrijke gebeurtenissen en personen in hun leven, en hun wensen, teleurstellingen en successen. Ze zijn voor mij  op die punten relatief onbekenden gebleven zo besef ik tot mijn spijt. Inmiddels weet ik uit onderwijs en onderzoek dat de meeste volwassenen weinig weten over de ontwikkeling van kind tot volwassene van hun ouders. Een van de opdrachten die ik studenten in een cursus Levenslooppsychologie daarom geef is hun ouders afzonderlijk te interviewen over hun leven aan de hand van een daarvoor ontwikkeld interviewschema. Zowel studenten als ouders vinden dat spannend en zinvol en wijzen het zelden af . Ze bepalen zelf wat ze vertrouwelijk willen houden en wat gedeeld mag worden. Vaak krijgen studenten dingen te horen die ze al wisten. Maar vaak ook worden ze geconfronteerd met informatie die nieuw voor hen is, aan het denken zet of zelfs schokt. Een studente: ‘ik heb nooit geweten dat mijn moeder een ongewenst kind was en hoe dat haar kinderjaren heeft bepaald”. Een student: “Ik vond het heel verdrietig te horen van mijn moeder dat haar moeder, mijn oma dus, jarenlang  in een psychiatrische inrichting heeft gezeten en daar is gestorven. En hoe ze nog altijd bang is dat dezelfde stoornis zich bij een van ons ooit zal voordoen’. Een andere student in zijn interviewverslag: ‘Ik heb nooit begrepen waarom mijn vader ons nooit aanraakte en vaak zelfs heel vreemd deed als wij dat bij hem deden. Maar toen hij vertelde hoe dat was gekomen, kon ik het maar al te goed begrijpen. Hij was tijdens de oorlog als 14-jarig jongetje betrapt bij een soort van homoseksueel spelletje met een leeftijdsgenootje. Ze werden naar het politiebureau gesleept en binnen de kortste keren wist het halve dorp wat er was gebeurd. Een tijdlang werd hen alles wat goor en lelijk was naar het hoofd geslingerd. Sindsdien heeft hij nooit meer een jongen, ook niet zijn eigen zoons, durven aanraken”. Hij schreef ook dat het interview iets positief tussen hem en zijn vader bewerkstelligd had, al kon hij niet precies zeggen wat dat was. Dat is de ervaring van de meeste volwassen kinderen die de moeite en tijd nemen om zich door hun ouders te laten vertellen hoe het in hun leven is gelopen. Overigens ook omdat er heel veel ‘gewonere’ en leuke informatie gedeeld wordt. Kijkend naar wat het kan doen in de relatie (volwassen)kind-ouder ben ik geneigd om iedere  volwassene het interviewschema in handen te drukken en te roepen: ‘Ga praten thuis!’ Want wat is er verdrietiger dan je ouders begraven zonder te weten wie zij waren. Vreselijk eigenlijk als de mensen uit wie jij bent voortgekomen, grotendeels intieme vreemden voor je zijn gebleven. Wat veelal ook wil zeggen, grotendeels onbegrepen.