Wijs me een held

De manager van het hotel in Bled vraagt me bij het inchecken: “weet u hoe voor de hoeveelste keer u onze gast bent?”. Hij is nieuw en ik laat‘m het plezier me te corrigeren. “Ik denk een keer of twintig”, zeg ik. “Twee-en-twintig!”, roept ie bijna uit. “Ik heb me begrepen dat de eerstekeer tijdens de oorlog was”, zegt ie. Vermoeid door de lange reis heb ikgeen zin daarop in te gaan. Dus zeg ik pesterig ontwijkend: “Hangtervan af over welke oorlog we het hebben. Voor die van 40-45 was iknet te laat. “Ik gelukkig ook” reageert hij ad rem. “Maar we hebben erhier nog een gehad, en daar was u wel op tijd bij”. Ik begin hem met zijnbeleefde spitsvondigheden nu al te waarderen. Later die middag bij kop koffie doe ik ‘m mijn relaas. 26 juni 1991. Ik ben uitgenodigd om in Ljublajana, de hoofdstad van Slovenie, de openingstoespraak te houdenvan een internationaal congres. Kort tevoren heb ik de congresorganisatoren laten weten af te zeggen. Vanwege dreiging van oorlog tussen de toenmalige  federale regering van Joegoslavie enSlovenie, dat zich uit de federatie los wilde maken. Ze bezworen me dathet zo’n vaart niet zou lopen en om toch te komen. Zonder te letten op reisadviezen en op wat de andere buitenlandse sprekers deden, ben ikgegaan. Aangekomen bleek ik de enige buitenlander. En werd ontvangenals een held. Iemand die niet voor angst was gezwicht en die het internationale karakter van de bijeenkomst had gered. Wat heet. Ik was halverwege mijn openingslezing toen in de zaal groot rumoer uitbrak. Het bleek dat de federale troepen zojuist de grens met Slovenie warenovergestoken. Het was oorlog. Grenzen en  luchtruim werden gesloten, het congres afgelast en ik kon voorlopig het land niet uit. Op de vraagvan mijn gastheren wat ik intussentijd wilde doen, heb ik geantwoord“breng me naar de mooiste plek die jullie hebben”. Dat bleek het voormalige zomerverblijf van wijlen president Tito aan het meer van Bled te zijn. De dagen dat ik daar als enige hotelgast verbleef, werd ikals werkelijk als held behandeld . Alsof ik symbool stond voor het feitdat niet ieder EU-land het kleine, kwetsbare Slovenie in de steek liet. Ikheb er een aantal vrienden aan overgehouden, zoals de huidigeburgemeester van Bled. Toch moet ik soms weer uitleggen dat ikallesbehalve een held was. Eerder een domme waaghals. Ik had onnadenkend grote risico’s genomen, zoals reizen naar eenoorlogsgebied waarvoor (inderdaad) een negatief reisadvies gold. En ikhad te snel tegen mijn gastheren ‘ja’ gezegd en mijn partner en kinderengeen inspraak in die beslissing gegegeven. Zij hebben een aantal dagenflink in de rats gezeten. Kortom, er zit een belangrijke waarheid in dezeuitspraak van de beroemde Britse dichter Alfred Tennyson: “Wijs me een held en ik schrijf u een treurspel”. Ik mag van geluk spreken dat het dat niet is geworden.

Een permanente waarschuwing

Ooit werkte ik voor de VN in de kampen met Cambodjaansevluchtelingen op de grens tussen Thailand en Cambodja. De sfeer was er zeer gespannen, angstbeladen, grimmig. Regelmatigklonk vanuit Cambodja mitrailleur- en granaatvuur. Zo nu en dan werd er ook op de kampen geschoten. Mijn opdracht was onderzoek te doen naar het, naar verluid, enorme aantalvolwassenen en jongeren met ernstige psychische problemen ende mogelijkheden te verkennen voor behandeling en preventie.Daar nog maar net aan het werk, maak ik van heel nabij de beschieting mee van een kamp, waar ik op bezoek ben voorkennismaking met het kampbestuur. Vrijwel voor mijn ogenworden een moeder en haar zoontje door granaatvuur gedood. Behalve heftige angst roept het gebeuren ook enorme woede bijmij op – dat dit zomaar kan – en een bijna verpletterend gevoelvan zinloosheid. Wat kan een psycholoog in zo’n verschrikkelijkesituatie nou nog voor verschil maken? Mijn eerste neiging is dan ook mijn opdracht terug te geven. Maar niet zonder nog een keernaar het kamp terug te gaan om vast te stellen wat daar is aangericht. Als ik de volgende dag samen met een medewerker, de Cambodjaanse arts Sokh, voor de kampcommando-post uit de auto stap, worden we direct omringd door een groep kampbewoners. Terwijl ik luister naar Sokh’s vertaling van wat ze zeggen, stapt opeens een meisje, zo’n jaar of 12 schat ik, op mijaf. Ze overhandigt me een met gaten geblakerd boekje. “Dit is”,vertaalt Sokh terwijl zijn stem door verdriet lijkt te worden dichtgeknepen, “het voedselbonnenboekje dat haar tante gisteren bijzich had, toen ze samen met haar zoontje, haar neefje dus, hierwerd doodgeschoten. Ze wil dat je het meeneemt om overal telaten zien dat hier kinderen dood worden gemaakt en dat ze datniet meer moeten doen.” Woorden die, daar staande met het geblakerde boekje in mijn handen, een golf van rillingen over mijnrug doen lopen. Diep geroerd heb ik beloofd te doen wat ik konom de buitenwereld te laten weten welke verschrikkingen zichhier voltrokken. (Ik heb daaraan de volgende maanden in kranten, tijdschrften en beleidsdocumenten zoveel mogelijk ruchtbaarheidproberen te geven). Maar ik deed daar ook iets dat ik nooit had mogen doen. Namelijk vragen wie haar had aangespoord tot dezeactie. Tot op de dag van vandaag vind ik het de meest stomme, onempathische vraag die ik ooit gesteld heb. Haar antwoord endat van enkele jongeren met haar was er dan ook na: niemand!Zíj was het die het boekje had gevonden! En zij was op het ideegekomen dat aan de VN mensen te geven. Zulks ondanks verzetvan haar moeder, maar aangemoedigd door leeftijdsgenoten.Tegenwoordig staat het boekje zichtbaar uitgestald in de boekenkast recht tegenover mijn bureau. Als permanentewaarschuwing nooit meer dezelfde beoordelingsfout te maken: jongeren te jong te achten om uit zichzelf, authentiek, voor eenveiligere, betere wereld te vechten.

 

Je belangrijkste antidepressivum

Tijdens een familie-reunie had ik ooit een langdurig gesprek met de jongste broer van mijn overleden vader. Deze oom, inmiddels in de negentig, vertelde hoe hij mijn vader gekend had als iemand van hollen of stilstaan. Een man die maandenlang dag en nacht aktief kon zijn, altijd maar werken. En dan opeens, van het een op het andere moment, was de pijp leeg. Begon een periode van overspannenheid en depressiviteit, waarin ”er geen land met je vader te bezeilen viel”. ”Met je grootvader”, voegde hij er aan toe, ,,mijn vader dus, was het van hetzelfde laken een pak”. Het relaas van mijn oom maakte me bewust van de mogelijkheid dat ik zelf ook risico liep op het ontwikkelen van zo’n cyclothyme stoornis zoals dat psychodiagnostisch heet – gekenmerkt door perioden van nu eens overactiviteit dan weer uitputting en depressie. Die stoornis wordt vaak aan volgende generaties doorgegeven via genen en voorbeeldgedrag en vooral via de combinatie. Nadenkend over mijn vader begon ik te beseffen dat het een zekere wijsheid van lichaam en geest is om als ze al te zeer worden opgejaagd en geexploiteerd, aan de noodrem te trekken: stop, nou is het genoeg. Depressie als een noodzakelijke  vrijheidsbeperking die het ‘ik’ wordt opgelegd, dat zichzelf geen beperkingen weet op te leggen, dat uit zelf geen ‘neen’ zegt.

Depressie voorkómen betekent dan tijdig uit jezelf op de rem gaan staan. Of, nog beter, zorgen dat je helemaal geen rem nodig hebt. Reden voor mij te besluiten dagelijks ontspannings- of meditatie-oefeningen te gaan doen. Maar daar kwam al gauw de klad in, mede omdat ze me toch onvoldoende beschermdentegen lichamelijke spanningsklachten en malaise- of depressieve gevoelens. Mijn supervisor indertijd aan wie ik dat schoorvoetend toegaf, suggereerde dat ik de oefeningen mogelijk teveel als techniek gebruikte. Als een soort van brandblus-apparaat voor wanneer de spanning te hoog uitsloeg en als een truc om door beter slapen en uitrusten meer te kunnen presteren, meer kilometers uit mezelf te kunnen persen. “Daar is”, zei hij, “niets op tegen als het voor een korte tijd is, waarin een bepaalde inspanning of prestatie moet worden neergezet. Maar als de oefeningen in feite worden gebruikt om een levensstijl van steeds maar meer te kunnen doen, steeds meer produceren, steeds meer presteren, vol te houden, dan doen ze per saldo de druk, de ‘stress’, waaronder je leeft, niet af- maar toenemen. Door de oefeningen stel je het moment waarop je echt ‘stuk zit’ dan misschien wel uit, maar niet af.” “Gezondheid, voegde hij eraan toe, “is geen kwestie van techniek hoewel technieken kunnen helpen. Het is eerst en vooral kwestie van houding. De houding van een golfslag die voortdurend heen en weer beweegt tussen activiteit en passiviteit, tussen nu eens extraversie, naar buiten gericht en actief zijn, en dan weer introversie, naar binnen gericht en nadenkend zijn. Het dágelijks kunnen mee bewegen op die golfslag moet je belangrijkste ‘techniek’ zijn. Het is hoe dan ook je belangrijkste antidepressivum.”

Een scheeuwend empathie-gebrek

De tsunami van honderden emails naar aanleiding van de column Bestraf Zelfmoord van afgelopen week in deze en andere kranten  dwingt me welhaast er op terug te komen. Beduusd door het aantal en diep geraakt door de inhoud. Het merendeel komt  van mensen die de zelfdoding van een of meer dierbaren hebben meegemaakt. En die, zelfs al is dat jaren geleden, nog altijd krimpen van emotionele pijn, wanneer de term zelfmoord valt in de media of in gesprekken. Velen blijken daartegen al eens actie te hebben ondernomen door een brief of email te sturen naar de redactie van een krant of TV-programma. Maar dat levert meestal nietszeggende toezeggingen op, want een volgende keer blijkt hetzelfde medium die vreselijke term gewoon weer te gebruiken. Iemand schreef: “Ik probeer dan  maar te denken, Heer vergeef het hen want ze weten niet wat ze doen”. Maar, schreef een ander, “ze weten wel degelijk wat ze doen. Zo’n heftige woord als zelfmoord roept nu eenmaal meer sensatie op dan zelfdoding. Ze doen het dus ook om te choqueren”. Dat de media op dit gebied vaak verwarring stichten, zich volstrekt onverschillig tonen ten aanzien van de gevoelens van grote groepen lezers/kijkers of gewoonweg valse argumenten gebruiken, bleek afgelopen week ook op een directere manier. Een journalist van een landelijke krant die gehoord had van het grote aantal reacties op de column, belde me met vragen. Ik vroeg hem op mijn beurt wat voor beleid ze op dit punt bij zijn krant hebben. Schoorvoetend gaf hij toe dat er geen duidelijk beleid is en dat de ene collega zelfmoord en de andere zelfdoding of (soms) suicide gebruikt. Er aan toevoegend: “Maar ach wat maakt het ook uit’. Op mijn reactie dat zijn krant er dus een zootje van maakt en mensen nodeloos kwetst, antwoordde hij als gestoken: “Dus we mogen voortaan alleen  door René Diekstra goedgekeurde termen gebruiken.” “Klopt!”, was mijn reactie. “Maar nu even serieus. Jullie besteden weleens aandacht, en terecht, aan de problematiek van ‘hulp bij zelfdoding’. Waarom spreken jullie dán nooit van ‘hulp bij zelfmóórd’? Het is even stil aan de andere kant van de lijn. Dan zegt ie:”Volgens mij volgen we op dit punt gewoon het wetboek van Strafrecht”. En maakt me daarmee echt boos. “Onzin van het ergste soort” zeg ik. “Dat wetboek kent ook de term zelfmoord niet. Enkel zelfdoding. Leg me dus maar eens uit waarom jullie in het ene geval de wet niet volgen en in het andere  wel”. Dat kan hij niet, blijkt. Gelukkig blijkt hij wel zo sportief toe te geven dat hij ‘hulp bij zelfmoord’ nooit zou gebruiken: ‘veel te grof, veel te moorddadig klinkend’. “Wel”, zeg ik, “dat vinden de meesten van de honderdduizenden nabestaanden in ons land ook van enkel het woord zelfmoord. Zij hebben bovendien het feitelijk gelijk aan hun zijde: het woord klopt gewoon niet. Toch moord blijven noemen wat geen moord is, hoe ‘gestoord’ of onempathisch ben je dan eigenlijk?”

Bestraf dat woord

Als ik ergens heel boos op kan worden dan is het op media die dat meest vreselijke van alle woorden in ons taalgebruik maar blijven gebruiken: zelfmoord. Zoals vrijdag j.l. voor de zoveelste keer het NOS-journaal, deze keer herhaaldelijk in een reportage over personeelsleden van het bedrijf France-Telecom die zelf een eind aan hun leven hebben gemaakt. Hoe slecht de journaalredactie haar werk in deze doet, bewijst het feit dat ze niet eens heeft opgemerkt dat de Fransen in hun berichtgeving nooit het equivalent in hun taal van ons woord zelfmoord gebruiken: ‘meurtre de soi-même’, Zij spreken steevast van suicide, zelfdóding kortom. Degene die meent dat het nauwelijks verschil maakt of je nu zelfmoord of zelfdoding gebruikt, moet eens te raden gaan bij nabestaanden. En doet er ook goed aan zich af te vragen waarom behalve in Frankrijk ook in Groot-Britannie en andere Angelsaksische landen woorden voor de zelfgekozen dood waarin ‘moord’ voorkomt volstrekt uit den boze zijn. Zo is de aanduiding ‘self-murder’ daar in de loop van de 19de eeuw volledig verdwenen en zal geen weldenkend mens het meer gebruiken. Waarom zelfmoord zo’n vreselijk woord is? In een gesprek met een havo-klas over depressie en zelfdoding kwam die vraag ook aan de orde. Dat gesprek begon op de volgende veelzeggende manier. “Als je iemand doodmaakt, opzettelijk, die wil leven, dan is dat moord, toch?’’ ‘‘Dat is moord ja’’ “Maar als je iemand doodmaakt die niet meer wil leven en die dat aan je gevraagd heeft, dan is het geen moord, toch?’’ ’’‘Ik zou dat geen moord noemen, eerder dood op verzoek of zoiets.’’ ‘’Maar als je jezelf dood maakt, opzettelijk, omdat je niet meer wilt leven, dan noemen ze dat opeens wel weer moord. Zelfmoord. Dat is toch raar, dat klopt dan toch niet.’’ “Dat klopt inderdaad niet.’’ ’‘Maar waarom noemen ze het dan toch zo?’’ Ik heb uitgelegd dat met het woord zelfmoord iemand die uit wanhoop, ontreddering, psychische of lichamelijke problemen, levensmoeheid of een combinatie daarvan voor de dood kiest, als moordenaar het hiernamaals wordt ingestuurd. En dat dit ook ruim 15 eeuwen lang de bedoeling is geweest, vanaf het moment dat de kerkvader Augustinus omstreeks 420 verkondigde ‘wie zichzelf doodt, is een moordenaar’. Overigens, er zijn nog stromingen die aan die criminalisering van zelfdoding vasthouden. In de Catechismus van Katholiek Nederland wordt steeds gesproken van zelfmoord en wordt het nog altijd als een doodzonde en vorm van moord gekwalificeerd (zie RKdocumenten.nl). Dat veel media, zoals het NOS-journaal, en veel journalisten aan zulke opvattingen hand-en-spandiensten leveren door ook hardnekkig op de term zelfmoord te blijven hameren, kwalificeer ik als verwerpelijk en verwijtbaar. En dat is niet omdat ik niet uitsluit zelf ooit voor zelfdoding te zullen kiezen en niet als moordenaar wil worden bijgezet. Het is wel omdat ik het onaanvaardbaar vind dat anno 2019 zelfdoding nog altijd in woord en geschrift wordt gecriminaliseerd en nabestaanden onnodig diep gekwetst worden. Dát moet maar eens strafbaar worden gesteld.

Leve de nutteloosheid

Wie heeft ooit bedacht dat we tenminste één keer per jaar, en in ieder geval in de zomer, op vakantie moeten? En waarom eigenlijk? Worden we er gelukkiger, relaxter, gezonder van? En klopt de algemene aanname wel dat iedereen maar wat graag met vakantie gaat? Wat dat laatste betreft. Er is een aanzienlijke groep mensen voor wie vakantie, zeker als daarvoor huis en haard moet worden verlaten, eerder een straf dan een zegen is. Voor een waarschijnlijk nog veel grotere groep zijn de laatste weken of dagen vóór de vakantie de stress-climax van het jaar, waarin de verzuchting ‘waarom doen we dit ons zelf toch iedere keer weer aan’ niet van de lucht is. Een verzuchting die onderweg naar de vakantiebestemming en de eerste tijd daar nog regelmatig in stilte wordt geslaakt. Wat niet betekent dat het vervolg niet toch als leuk en ontspannen kan worden ervaren. Onderzoek naar vakantie-ervaringen laat zien dat dit bij velen wel degelijk het geval is. Want vakantie betekent, zowel letterlijk als figuurlijk, doorgaans wel een tijdlang vrij zijn van verplichtingen die met werk en bepaalde kenmerken van de thuissituatie samenhangen. Om met de komiek Robert Orben te spreken: “vakantie betekent niets te doen hebben en de hele dag hebben om dat te doen”. Maar vakantie betekent ook niet zelden intensievere en meer ontspannen omgang met partner, kinderen, familie of vrienden, het opdoen van nieuwe ervaringen, de horizon verbreden en zelfs bepaalde beslissingen, gewoontes of relaties heroverwegen. Blijkbaar moet je soms op afstand gaan om afstand te kunnen nemen. Dat vakantie desalniettemin overwegend wordt geassocieerd met kinderlijk-speels plezier en ontspanning heeft ongetwijfeld te maken met de geschiedenis ervan. In de loop van de 19de eeuw vatte het idee post dat het voor kinderen en onderwijzers belangrijk was een tijdlang geen school- en onderwijsverplichtingen te hebben. Zodat inspanning kon worden beloond met ontspanning die weer voorbereidde op een volgende periode van inspanning. Maar werkt(e) het ook zo, althans wat volwassenen betreft? Er is onderzoek, ook Nederlands, dat aantoont dat gezondheid en welbevinden duidelijk verbeteren tijdens lange zomervakanties (de piek wordt na circa 8 dagen bereikt). Maar die winst gaat al in de eerste week na thuiskomst grotendeels verloren. Het blijken overigens niet de actieve maar vooral de passieve bezigheden tijdens vakantie – ontspanning in plaats van inspanning, genieten van omgeving, natuur en cultuur, gezelschap en dergelijke – die de welzijns- en gezondheidswinst na afloop nog enige tijd doen beklijven. En dat zijn precies dingen die je niet doet vanwege hun nut, want dat hebben ze niet, maar uitsluitend omdat ze aangenaam, leuk of mooi zijn. De conclusie? Hou je op vakantie vooral met nutteloze dingen bezig. En blijf dat, eenmaal thuis, dagelijks een uur of zo doen. Het verduurzaamt je vakantiewinst. Onthou, het is geen leven waarin alles nut moet hebben. En onthou ook ‘dat het mooiste in de wereld vaak ook het meest nutteloze is: pauwen en lelies bijvoorbeeld’ (met dank aan John Ruskin, kunsthistoricus).

Niet thuis geven

Op mijn dagelijkse wandeling door het plantsoen tegenover mijn huis mis ik ze nog dagelijks. Ik heb het over het groepje thuis- of daklozen of wat het ook precies waren, die vrijwel iedere dag op of rondom een van de banken zaten en vandaaruit, al dan niet onder invloed, de wereld, bekeken en becommentarieerden. Ze zijn er al een tijd niet meer. Verjaagd door overheidsbeleid? Toegegeven, ze zagen er tamelijk morsig en kwetsbaar uit. Maar ze deden geen vlieg kwaad, groetten iedereen die daarvoor openstond altijd vriendelijk en ruimden hun rommel steeds netjes op, in tegenstelling tot vele andere bezoekers. Ook ik moest aan hun aanwezigheid wennen en loste dat, zoals veel voorbijgangers, aanvankelijk vooral op door ze te negeren. Maar vanaf een bepaald moment zijn we elkaar toch gaan groeten. Met sommige ontwikkelde zich ook gesprekscontact. Ze intrigeerden me. We hadden het dan onder andere over hoe hun leven er uit zag en wat gemaakt had dat ze hier terecht waren gekomen. Eén gesprek, ik denk met de jongste van de groep, staat nog in mijn geheugen gegraveerd. Hij vroeg mij een keer waar ík woonde. Ik wees naar een huis aan de overkant van de singel die het plantsoen omgeeft. “Dat is mijn huis”, zei ik. “Maar is dat ook je thuis?” reageerde ie. Die vraag, nog nooit eerder aan mij gesteld, overviel me zo dat ik in eerste instantie niets anders wist te doen dan ‘m herhalen: “Maar is het ook mijn thuis..? Wat beschouw jíj als jouw thuis?”, was mijn wedervraag. Zijn antwoord kwam onmiddellijk: ‘Ik heb geen huis. En dus ook geen thuis”. “Ook nooit gehad?” vroeg ik. Hij slikte zichtbaar even en het leek erop dat hij ‘ja’ wilde zeggen, zich toen bedacht en, terecht, terugkwam met: “Zeg hé, geef jij nu eerst eens antwoord op míjn vraag! Of dat huis dáár ook jouw thúis is?” Mijn antwoord: “Dat is ‘t. Ik ben er graag. Voel me er altijd welkom en gerespekteerd. Ook als ik er word bekritiseerd. Ik zal er nooit voor een dichte deur komen. Net zoals zij, mijn huisgenoten, nooit bij mij voor een dichte deur zullen komen”. En toen schoot me luidop een uitspraak van de dichter Robert Frost te binnen die ik in de jaren dat ik zelf ‘thuisloos’ was, als uiterst pijnlijk-confronterend heb ervaren: ‘Thuis is de plaats waar, als je daarop terug moet vallen, ze je binnen moéten laten’. “Het verschil tussen ons”, zei hij terwijl hij terugliep naar de bank met zijn ‘collega’s’, “is dat jij nu wel en ik niet zo’n plaats heb”. Terwijl ik dit schrijf ligt er een krantenfoto naast me met daarop de dode lichamen van een vader en kind, als afval tegen een rivieroever dobberend. En word ik diep onpasselijk bij de gedachte aan de vele tientallen millioenen, meer dan ooit eerder op deze planeet, aan wie wij op zo’n fatale manier niet thuis geven.

Meenemen of achterlaten?

Hoewel de animatiefilm Toy Story 3 allereerst bedoeld is voor kinderen, behandelt het een thema dat voor jongeren en (jong)volwassenen minstens zo relevant is. Te weten, wat neem je mee en wat niet als je je ouderlijk huis verlaat om op jezelf te gaan wonen. Een situatie waarin veel jongeren die onlangs eindexamen hebben gedaan, zich momenteel bevinden. Daarbij gaat het niet alleen om spullen, zoals speelgoed, meubels of sportvoorwerpen, maar ook om welke gewoonten, tradities en rituelen je van thuis meeneemt en voortzet. En welke je achterlaat of gewoon mee stopt. In de film verlaat de 17-jarige Andy, nadat hij de middelbare school heeft afgemaakt, zijn ouderlijk huis om aan de universiteit te gaan studeren. Hij moet daarbij keuzes maken tussen wat hij wel en niet zal meenemen naar zijn nieuwe woonplaats. Hij besluit onder meer van zijn jarenlang verzamelde speelgoed-figuren er één mee te nemen en de rest in een vuilniszak te doen en thuis op zolder op te bergen. Andy’s moeder, de zak vindend, denkt dat het gaat om weg te gooien rommel en dumpt ‘m in de afvalcontainer. De gedumpte speelgoed-figuren pikken dat niet, weten te ontsnappen en gaan op zoek naar Andy. De film eindigt er mee dat Andy de speelgoed-figuren, die hem teruggevonden hebben, aan een jong meisje schenkt met wie ze een nieuwe toekomst kunnen beginnen en hij zelf, na afscheid van hen genomen te hebben, aan zijn eigen toekomst begint. Wil je als jongere een nieuwe levensfase ingaan, zo lees ik de film, dan kun je niet alles meenemen uit de vorige en moet je kiezen wat achter te laten – ook al was het leuk of betekenisvol – en wat mee te nemen. Na het zien ervan indertijd realiseerde ik me voor het eerst dat ik, toen ik als 17-jarige uit huis ging, me zeker wel bezig heb gehouden met welke spullen wel of niet mee te nemen. Maar de vraag welke gewoonten, activiteiten of waarden ik wilde meenemen of voortzetten en welke thuis laten, heb ik me toen niet gesteld. Een gesprek met mijn ouders daarover, bijvoorbeeld over hoe vaak we contact zouden hebben, waar ik hen van op de hoogte zou houden en waaraan ik wel of niet thuis zou (blijven) deelnemen of bijdragen, heeft ook nooit plaatsgevonden. Voor zover ík daarin zelf keuzes maakte, was dat vooral ad hoc of willekeurig en, naar ik vrees, ook niet zelden onzorgvuldig. Dat moet mijn ouders op gezette tijden verdriet hebben gedaan en een volledige breuk tussen ons heeft zeker een tijdlang op de loer gelegen. Zover is het gelukkig niet gekomen. Maar echte vrienden zijn we, helaas, ook nooit geworden, hoewel, zo blijkt uit onderzoek, juist in deze periode daarvoor een levenslange grondslag gelegd kan worden. Voor mij aanleiding om al die jongeren en ouders die op het punt staan uit elkaar te gaan, aan te raden binnenkort eens samen naar Toy Story 3 te kijken. En aansluitend dat bewuste gesprek wél te voeren.

Niets is erger

Al 16 maanden proberen haar ouders opheldering te krijgen over haar overlijden en wat daaraan is voorafgegaan. Ze willen onder andere weten wie aan hun negentienjarige dochter een dodelijk middel heeft verstrekt, maar ook hoe ze in de maanden vóór haar dood is behandeld en in hoeverre dat haar zelfdoding kan hebben uitgelokt. Maar ondanks al hun inspanningen zijn ze vanaf de dag van het overlijden van hun dochter, op 22 februari 2018, tot aan vandaag daarmee niet of nauwelijks opgeschoten. Degenen of de instanties die hen die informatie kunnen verstrekken of kunnen helpen die boven water te krijgen laten het botweg afweten. Hun dochter was in behandeling bij de GGZ Oost-Brabant en ze heeft in haar laatste email, verzonden in het uur van haar zelfdoding, aan haar behandelaar carte blanche gegeven om informatie aan haar ouders te verstrekken. Maar zowel die behandelaar als de GGZ-instelling weigeren dat. De ouders moeten zelf maar zien waar ze informatie over de toedracht vandaan halen. Daarmee zijn ze dus al 16 maanden bezig. De brokstukken die daarbij naar boven zijn gekomen, hebben zowel hun verdriet als hun verontwaardiging vergroot. Want deze wijzen erop dat in de behandeling van hun dochter ernstige fouten zijn gemaakt, mogelijk met de zelfdoding als gevolg. Ze hebben die gegevens aan mij voorgelegd en ik deel hun vermoeden. Maar zolang GGZ en behandelaar geen informatie overleggen blijft het bij vermoeden en lopen ze vast in hun rouwverwerking. Wat je niet weet, dat deert. Op bewonderenswaardige wijze proberen ze daar bij tijd en wijle uit te breken, onder andere door activiteiten te organiseren om de aandacht voor zelfdoding onder jongeren hoger op de maatschappelijke agenda te krijgen. Des te pijnlijker voelt het dat het hen maar niet lukt de noodzakelijke aandacht voor de gang van zaken rondom de zelfdoding van hun eigen kind te krijgen. Ten einde raad hebben ze op 13 december vorig jaar bij het Openbaar Ministerie (OM) aangifte gedaan tegen de behandelaar en de GGZ en verzocht een onderzoek in te stellen. Terwijl ik dit schrijf zijn we precies een half jaar verder en hebben de ouders, behalve een ontvangstbevestiging van de aangifte, ook van het OM niets meer vernomen. Naar mijn oordeel zijn beide feiten, zowel de weigering van de GGZ en de behandelaar als het stilzwijgen en non-activiteit van het OM, symptomatisch voor het gebrek aan begrip zowel in de geestelijke gezondheidszorg als bij Justitie voor de uitermate droevige en pijnlijke situatie waarin nabestaanden van zelfdoding zich vaak bevinden. Ze zijn ook symptomatisch voor de geringe prioriteit die preventie van zelfdoding bij deze instanties heeft. Alleen al het vermoeden dat er mogelijk fouten zijn gemaakt die jonge mensen de dood in kunnen drijven, zou deze instanties in opperste staat van paraatheid moeten brengen en alles uit de kast doen halen die fouten te leren kennen en in de toekomst te voorkomen. Want is er iets ergers denkbaar dan een kind dat niet meer wil leven?

Burn-out

De afgelopen dagen is door de media massaal bericht dat de Wereld Gezondheids Organisatie (WHO) burn-out officieel heeft erkend als ziekte, als medische aandoening kortom. Dat bericht is  onjuist. Wat de WHO afgelopen woensdag heeft laten weten is dat ze in de 11de herziening van de Internationale Classificatie van Ziektes (ICD-11), die over enige tijd officieel wordt, burn-out op een wat andere manier heeft omschreven als in de huidige versie (ICD-10). En wel als een (uitsluitend) werkgerelateerd verschijnsel dat van invloed is of kan zijn op de gezondheidstoestand van mensen of hun contact met de gezondheidszorg. Het is het gevolg van chronische stress op de werkplek die niet goed gemanaged is/wordt en gekenmerkt wordt door a) langdurige vermoeidheid, verlies van energie en gevoelens van uitputting; b) toenemende gevoelens van vervreemding, negativisme of cynisme ten aanzien van het werk; en c) verminderde productiviteit en slagvaardigheid. Kortom, burn-out is geen ziekte maar een reactiepatroon. Wat niet uitsluit dat het een risico op ziekte(n) kan vormen. Na afloop van een college waarin ik dit uitlegde, kwam een student naar mij toe en vroeg “Hebt ú wel eens een burn-out gehad?” “Ik heb de indruk dat u heel veel werkt” vervolgde ze, “en dus best risico op burn-out loopt”. Ik heb haar naar waarheid geantwoord dat ik ooit een keer op de rand van een burn-out heb gezeten maar er net op tijd aan ontsnapt ben. Ik was toen zelf in dienst van de WHO en werkte me een slag in de rondte, met name in  vluchtelingenkampen en oorlogsgebieden. Een oudere en wijzere collega die zag dat ik me langzamerhand aan het uitputten was en steeds cynischer werd over het nut van ons werk daar, ontfermde zich over mij en leerde me mijn aandacht en energie beter te verdelen over de vijf centrale levensgebieden: relaties, werk, gezondheid, vrijetijd en spiritualiteit. Weliswaar niet altijd in gelijke porties maar nooit een daarvan lange(re) tijd verwaarlozend. Het opmerkelijke effect daarvan was dat ik na enige tijd het gevoel had niet alleen de controle over inhoud en tempo van mijn werk terug te krijgen maar er ook weer van te gaan houden. Maar hij leerde me nog iets anders, cruciaal voor iemand met zo’n sterke neiging tot ‘het is nooit goed genoeg’ en ‘altijd van het ergste uit gaan’ als ik heb. En dat was om dagelijks ook mijn zegeningen te tellen. Dat doe ik nog altijd met enige regelmaat, onder andere door voordat ik ga slapen, te denken aan drie goede dingen die er die dag gebeurd zijn en of ik daar een rol in had of niet. Vaak schrijf ik ze ook op en lees ze om de zoveel tijd terug. Een methode die, zo blijkt inmiddels uit onderzoek, cynisme en depressiviteit vermindert of voorkomt. Anders gezegd,  voorkómen van burn-out is vooral een kwestie van leefwijze. Of van wijzer leven zo je wilt. Feedback van anderen serieus nemen hoort daar zeker bij. Het is er zelfs voorwaarde voor.