Opgepast

Kort na zijn geboorte begin januari ben ik een dagdeel per week, zo’n uur of vijf, op mijn jongste kleinkind gaan passen. De eerste tijd betekende dat weinig meer dan hem de fles geven, verschonen, lang lachend aankijken, speelgoedjes voorhouden, op schoot nemen en te slapen leggen. Lief maar ook een beetje saai en soms ook wat eenzaam. Ik kon me dan heel goed voorstellen dat enkel moeder zijn, zoals vaak in vorige generaties, waarbij je de hele werkweek voornamelijk alleen met je baby was want je man werkte buitenshuis, bepaald geen gemakkelijke opgave moet zijn geweest. Niettegenstaande alle roze verhalen erom heen. Overigens, ik heb op mijn eigen kinderen als babies ook niet zelden lange tijden gepast, maar hoe dat was herinner ik me nauwelijks meer. Het lijkt wel alsof ik met deze kleinzoon meer bewust dan eerder aan het oppassen ben geslagen. En er van geniet. In ieder geval ben ik het met het verstrijken van de maanden steeds leuker gaan vinden. Om twee redenen.  Een, ik kan steeds meer met hem, en hij met mij. Zoals, zij het nog bescheiden, gebaren en geluiden maken en nabootsen, voorlezen, zingen, met speelgoed in de weer zijn, zoals figuren ergens in doen of iets bouwen (en weer omgooien). Twee, hij hecht zich steeds meer aan me. En ik aan hem. Als ik nu het huis binnenkom om hem van de voorafgaande oppas over te nemen en hij ziet me, dan reageert hij meteen. Strekt zijn handjes naar mij uit, maakt aandachtsgeluidjes  en probeert zich uit haar handen los te wurmen. Of, als hij op de grond zit, kruipt zo snel als hij kan naar mij toe en trekt zich aan mijn broekspijpen  omhoog, signaal dat ik hem moet oppakken. En doe ik dat, dan vlijt hij zich meteen tegen mij aan. Ik smelt dan. Soms valt hij ook in mijn armen in slaap. Behalve dat het me goed doet dat zich zo’n band tussen ons ontwikkelt, ben ik er ook een beetje  trots op. Maar met trots is het oppassen geblazen. Als er bijvoorbeeld een verjaardag is en er zijn familieleden of andere mensen die ook op hem passen, dan hoop ik soms toch stiekum dat hij laat zien dat hij het meest toenadering tot mij zoekt. Blijkbaar wil ik op zo’n moment graag als de primus inter pares, de eerste onder de oppassers, uit de bus komen. “Niet zo’n gunstige neiging, Diekstra”, waarschuw ik mezelf weleens fluisterend. Die neiging lost zich overigens acuut op als ik bedenk dat het slechtste wat volwassenen rondom een kind kunnen doen is een  stille competitie beginnen omtrent wie van hen hij/zij het liefste vindt. Niet alleen kan dat de onderlinge verhoudingen, weliswaar vaak onuitgesproken maar toch, onder druk zetten. Het betekent ook dat de liefde die het kind ontvangt, voor een deel niet oprecht want egocentrisch is. Anders gezegd: als je van een kind wilt weten of het jou de liefste vindt, dan pas je niet goed op.

Omdenken

Mijn leermeester, Albert Ellis, de meest invloedrijke psychotherapeut van de twintigste eeuw, hielp mij in een leertherapie in belangrijke mate van twee problemen af. Het ene was mijn vliegangst. Het andere was mijn  ‘vroege ochtend depressie’. Vliegangst was een acuut probleem.  De opleiding en leertherapie vonden plaats in New York. Dus moest ik regelmatig vliegen en kon daar al dagen tevoren als een ramp tegenop zien. Een keer, tijdens een uiterst turbulente vlucht, schoot mijn angst zozeer door het dak dat ik dagen heb rondgebeld of ik te zijner tijd met een boot terug naar Nederland kon. Ik wist heus wel dat turbulentie geen veiligheidsprobleem, hoogstens een comfortprobleem is. Maar die gedachte hielp me niet. Wat me wel hielp was Ellis’ aanwijzing dat ik angst en onveiligheid voortdurend door elkaar haalde. Het feit dat ik angstig was in een vliegtuig was voor mij het bewijs dat vliegen objectief een onveilige, bedreigend situatie is. Waarom zou ik anders angstig zijn? Maar juist die gedachte, een emotie houden voor een externe werkelijkheid, was de essentie van mijn probleem. Ellis hielp me dat om te denken. Ook in andere situaties, zoals spreken in het openbaar. Het inzicht dat ook gevoelens, zoals angst, gebeurtenissen zijn en dat daarom voor gevoelens geldt dat jouw gedachten (= de gesprekken die je daarover met jezelf voert) bepalen of ze blijven bestaan of zelfs verergeren, was voor mij nieuw en cruciaal. Ik had in die tijd ook flink last van depressieve  stemmingen. Vooral ’s ochtends als ik wakker werd. Dan kwamen vaak meteen gedachten op als ‘Oh jeh..weer dat vreselijke gevoel’, ’als het maar niet erger wordt’, ‘hoe kom ik in Godsnaam zo de dag door’, enzovoorts. En ik begon dan te denken aan allerlei dingen die mis waren of zouden kunnen gaan. Tot aan de conclusie dat ik me maar het beste ziek zou kunnen melden. Kortom, mijn slechte stemming bij het opstaan was een gebeurtenis die ik onbewust al denkende erger maakte. Ellis noemde dat: je depressief maken over je depressie. Hij leerde me ook hier óm te denken. ‘Benader je ochtenddepressie als een uitdaging. Als iets waar je op verschillende manieren invloed of greep op wilt en kunt krijgen, met name door te beginnen je met andere niet-deprimerende maar wel realistische gedachten te injecteren. Zoals ‘ik wil niet dat het erger wordt, ik ga gewoon aan het werk en zie wel hoe ver ik kom. Als mijn stemming soms toch wegzakt dan leid ik mezelf af, ga ik met iemand kletsen, bel ik iemand op, wandel ik een eind stevig of ga ik sporten, enzovoorts. En doe dat dan ook’. Ellis benadrukte daarbij het grote belang alternatieve gedachten niet alleen te denken maar ook regelmatig hardop tegen mezelf te herhalen. Op zijn aanwijzing heb ik zulke helpende gedachten ook met koeieletters opgeschreven en geplakt op de spiegel waarvoor ik me ’s ochtends scheerde. Om ze al scherende luidop uit te spreken. Dat doe ik soms nog.

Je belangrijkste gesprek

Omstreeks het jaar 150 publiceerde de historicus Flavius Arrianus een verzameling levensadviezen die hij had opgetekend tijdens  toespraken van een vrijgemaakte slaaf, Epictetus genaamd. Die publicatie kreeg de titel Encheiridion mee, Grieks voor zoiets als ‘boekje om bij de hand te houden’. Een treffende aanduiding. Want het Encheiridion kan met recht het eerste psychologische zelfhulpboek uit onze geschreven geschiedenis genoemd worden en heeft als zodanig grote invloed gehad. Al direct na verschijnen werd het onder Romeinse burgers een bestseller en zelfs Katholieke kerkvaders als Augustinus (354-430) prezen het aan. Tot ver in de 18e eeuw bleef het veelgelezen troostliteratuur, en ook in begin van de twintigste eeuw was er nog grote belangstelling voor, getuige het verschijnen van een reeks nieuwe vertalingen in verschillende talen. In ons land die van Scheurleer onder de titel Encheiridion: Zedekundig handboekje (1915). En hoewel nauwelijks nog beseft, is ook de invloed ervan in de hedendaagse psychologie en  psychotherapie duidelijk aanwijsbaar. Sterker nog, de meest gepraktizeerde en wetenschappelijk stevigst onderbouwde psychotherapie-methode, de cognitieve (gedrags)therapie, heeft haar archimedische punt in deze beroemde stelling in Epictetus’boekje: ‘Het zijn niet de dingen zelf die mensen beroeren, maar het zijn hun gedachten over die dingen waardoor dat gebeurt’. Anders gezegd, wat we denken of waaraan we denken is belangrijker voor ons (on)geluksgevoel dan de gebeurtenissen die ons overkomen. Een boude maar goed te onderbouwen bewering waarvan het belang niet gemakkelijk overschat kan worden. Om de volgende redenen. 1) We denken altijd. Ook dromen zijn gedachten. Zolang we leven kunnen we het denken niet laten. We móeten denken. 2) “Er is geen andere invloed waarmee de wetenschap zich bezig houdt – aardbevingen, chemische reacties, magnetische velden of wat je ook noemt – die van meer beslissend belang is in het bepalen van onze toekomst dan gedachten”. Deze uitspraak van neuropsycholoog en winnaar van de Nobelprijs voor Geneeskunde in 1961, Roger Sperry, drukt het uit als geen ander: onze gedachten bepalen zowel onze persoonlijke toekomst als de toekomst van ons als mensheid. 3) De vraag wat gedachten eigenlijk zijn laat zich op treffende wijze beantwoorden door het oudGriekse woord ervoor, ‘phrazomai’, dat behalve mediteren of overwegen ook ‘ik ben in gesprek met mezelf’, betekent; 4) Van alle gesprekken in ons leven zijn de gesprekken die we met ons zelf in gedachten voeren de belangrijkste. Die bepalen in hoge mate wat we voelen en doen; 5) Die zelfgesprekken kunnen we op drie manieren voeren, namelijk in woorden of zinnen, in beelden, dromen of fantasieen, of in een combinatie daarvan, in beelden met ondertiteling. 6) Zelfbewustzijn en zelfcontrole zijn daarom cruciale Levensvaardigheden. Zelfbewustzijn betekent je bewust zijn van je woord- en beeldgedachten en daarmee van waarom je je zo voelt en doet als je voelt en doet. Zelfcontrole betekent het kunnen omdenken van voor je levensdoelen niet-helpende gedachten in helpende. 7) Tenslotte. Beide vaardigheden blijken heel goed te leren (zie Diekstra.nl/lezing). Want bedenk: we móeten weliswaar denken, maar we zijn vrij in wát we denken.

Nederland faalt te vaak

In 2008 deden mijn medewerkers en ik op verzoek van de gemeente Den Haag een onderzoek naar wat volwassenen in de stad weten en begrijpen van opvoeding en ontwikkeling. Daarbij werd ook gevraagd of men op de hoogte was van het bestaan van een VN-Kinderrechtenverdrag en wat dat behelst. Van de 1000 ondervraagden wist een kleine meerderheid dat zo’n verdrag bestaat, maar kende overgrote meerderheid niets van de inhoud ervan. Hoe is dat nu? Tijdens een benefietbijeenkomst, afgelopen week in Leiden georganiseerd door UNICEF en Amnesty vanwege het 30-jarig bestaan van het verdrag op 20 november, (b)leken de aanwezigen daar bepaald pessimistisch over. Ik hoop dat ze zich vergissen. Want het is een heel bizonder en bizonder nodig verdrag. Behalve dat het wereldwijd het meest breed onderschreven mensenrechtenverdrag is, is het ook het meest concrete, met 54 artikelen aangaande voorzieningen, bescherming en participatie. Het zegt, bijvoorbeeld, niet alleen dat een kind recht heeft op onderwijs maar ook waarmee onderwijs het moet uitrusten. Het is ook een zeer sympathiek, welhaast vertederend verdrag. Zo staat in het verdrag, zonder enige mitsen en maren, dat kinderen (0-18 jaar) waar ook ter wereld recht hebben op liefde, begrip en ouderlijke zorg, op opvoeding tot begrip en verdraagzaamheid, vrede en vriendschap, op persoonlijke ontwikkeling in de meest brede zin van het woord, zowel geestelijk als lichamelijk, en dat bij nood hulp aan kinderen prioriteit heeft boven hulp aan volwassenen. Dan is er nog dit belangrijke gegeven. Het verdrag is voor de landen die het geratificeerd hebben, en dat zijn alle VN-lidstaten behalve de VS, wet. Dat roept een prangende vraag op. Houden de landen zich aan de Kinderwet? Doen wij hier in Nederland dat? Het is geen diplomatiek antwoord als ik zeg ‘ja’ en ‘neen’. We doen het in een aantal opzichten (heel) goed, maar we schieten in een aantal opzichten ook (schromelijk) tekort. Zo krijgen de meeste kinderen in ons land al dertig jaar lang  nog altijd niet het onderwijs waar ze volgens artikel 28 en 29 van het verdrag recht op hebben. En zo zijn de kind-wachtlijsten in de jeugdzorg en geestelijke gezondheidszorg niet zelden zolang dat van prioriteit geven aan kinderen in de nationale zorgverdeling absoluut geen sprake is en er daardoor letterlijk doden vallen. En dan is er nog het onaanvaardbare gegeven dat Nederland kinderen met een migranten-status, die niets hebben misdaan maar het land niet in mogen of moeten verlaten, in gevangeniscellen opsluit. Waardoor die kinderen niet zelden ernstig getraumatiseerd raken, hun ontwikkeling ontwricht en het VN-verdrag wreed geschonden. Toch zijn ook dat ‘onze kinderen’. Zoals, of we dat nu leuk vinden of niet, ook de kinderen van Nederlandse ouders in IS-kampen dat zijn. Ook zij hebben wettelijk recht op onze hulp. Allemaal redenen lijkt me om Nederland op te roepen zich onmiddelijk aan de Kinderrechten te houden. En blijft ze nog langer tekortschieten, laten we dan massaal aangifte doen. Tegen onze eigen staat weliswaar. Maar dat moet dan maar.

 

Onderwijs leert niet

In mijn werkkamer hangt recht tegenover de plaats waar ik gewoonlijk zit, een pentekening die mijn vrouw ooit uit China meebracht. De voorstelling op de tekening stamt naar verluid uit de begintijd van het Taoisme (de stroming waaruit begrippen als yin en yang afkomstig zijn), zo’n 2500 jaar geleden. Dikwijls, als mijn blik erop valt, zeker als dat vóór een college, lezing of therapiesessie is, ervaar ik een gevoel van toenemende alertheid. Dan hoor ik weer de stem van de Chinese hoogleraar in de filosofie die ik later naar de betekenis van de tekening vroeg: “Wat daarop wordt uitgebeeld is de essentie van opvoeding en onderwijs”. Ik was  aanvankelijk zeer verbaasd over die uitleg. Want op de tekening zijn twee figuren te zien, een kind (van zo’n 10-12 jaar) dat met een hand ergens heen wijst en daarbij iets zegt, en een volwassene, gekleed in een lang wit gewaad, die luistert.   Verbaasd, want opvoeding en onderwijs zijn in de gangbare opvatting in grote delen van de wereld vrijwel altijd gezien als processen waarin volwassenen spreken en kinderen luisteren. Zo niet volgens de Tao. Daarin is de essentie van opvoeding en onderwijs dat volwassenen voor kinderen situaties creeren waarin deze zich  angstvrij en spontaan kunnen uiten, vragen stellen, aangeven wat hen bezighoudt, kunnen oefenen. ‘Verbeeld je”, aldus de collega, “dat er voorafgaande aan deze tekening een eerdere tekening bestond. Daarop de omgekeerde situatie: de volwassene spreekt en wijst en het kind luistert. In die situatie hoeft er van leren nog helemaal geen sprake te zijn.  Pas als het kind, zoals in de ‘tweede’ tekening, in actie komt naar aanleiding van wat de volwassene  heeft aangereikt, als het kind aan zichzelf gaat onderwijzen wat de volwassene  het eerder heeft onderwezen, is er sprake van leren”. Concreet toegelicht: als een kind dat wat het op school uitgelegd heeft gekregen later aan anderen, thuis of elders, mag uitleggen, dan gebeuren er twee ‘dingen’. Een is dat het kind door zelf uit te leggen ook zelf (beter) grip krijgt op of begrijpt wat het die dag uitgelegd heeft gekregen. En twee, het kind onthoudt aldoende beter wat het is voorgehouden. Dat geldt overigens niet alleen voor kinderen, ook voor volwassenen. Conclusie? Het is een vergissing te denken dat wat anderen ons instrueren bepaalt wat we leren. Leren en ontwikkelen vindt alleen dan plaats als we dat wat anderen ons instrueren tot instructie aan ons zelf (kunnen) maken. Van instructie die niet leidt tot zelfinstructie leren we niets. Kortom, we ontwikkelen ons niet door onderwijs maar door zelfonderwijs, niet door coaching maar door zelfcoaching, niet door therapie maar door zelftherapie en niet zozeer door opvoeding alswel door zelfopvoeding. De belangrijkste rol en vaardigheid van opvoeders, onderwijzers, coaches en therapeuten is daarom situaties te creeren die zoveel mogelijk ruimte, begeleiding en aanmoediging geven aan het ‘zelf-doen’. Want, zoals een therapeut het mij, client zijnde, ooit op het hart drukte: “If yóu don’t do it, it won’t be done”.

 

Netflix of ouderenzorg?

Onlangs op een reunie biechtte een oude vriendin, nog altijd  landelijke politiek actief, op dat ze al twee maanden vrijwel iedere avond naar de serie Vis a Vis op Netflix kijkt. Die serie, zo vertelde ze, gaat over een Spaanse vrouwengevangenis waarin geen gruwelijkheid te schokkend en geen  platvloerse vulgariteit en taal te erg is. “Zo tussen 9 en 11 s’avonds laat ik me erdoor bestoken, maar de eerlijkheid gebiedt te zeggen dat daardoor een ietwat relaxte voorbereiding op de slaap er regelmatig bij inschiet”. En toen, me uit de nabijheid van anderen wegvoerend, bekende ze bijna fluisterend “hoe meer avonden op die manier verstrijken, hoe meer ik last krijg van een schuldgevoel. Dat ik weer een paar uur heb vergooid met het kijken naar pulp – waar ik niks van leer en niks zinvols of moois aan vind, wel heel spannend – begint me steeds meer dwars te zitten. En toch zit ik de volgende avond weer diezelfde pulp te kijken. Ik moet perse weten hoe het verder gaat”. Uit het gesprek dat volgde werd mij duidelijk, en haar,weliswaar tegenstribbelend, ook, dat haar kijkgedrag de kernsymptomen van een verslaving bevat. Zoals ontkenning (‘ik ben niet verslaafd’), de illusie van zelfcontrole (‘ik kan ieder moment kappen’), angst dat de verslavende stof opraakt (‘hoeveel afleveringen komen er nog?’) en het gevoel van geruststelling als blijkt dat er nog voorraad is (‘gelukkig zijn er nog …afleveringen’). In de voorbije twee maanden, zo schatte ze zelf, heeft ze ruim 120 uur aan Netflix verspeeld. Drie volle werkweken! “Beschamend en uitzonderlijk”, haar eigen woorden. Ik ben ten behoeve van haar op onderzoek uitgegaan. Wat blijkt? Niks uitzonderlijks.  Netflix heeft in ons land ruim 3 miljoen abonnees, die volgens opgave van het bedrijf zelf, net als zij, gemiddeld 2 uur per dag kijken. Stel, geen onredelijke schatting, dat ze dat ¾ van het jaar doen. Dat betekent 1.642.500.000 kijkuren. Maar het moeten er veel meer zijn want niet-abonnees kijken vaak mee. We halen daarom met gemak 2.000.000.000 oftewel twee miljard Netflix-uren. Hoe bedoel je verslavend, tijdverspillend? Hoeveel andere, zinvollere, gezondere, relaxtere en socialere ‘dingen’ zouden we met die gigantische hoeveelheid uren wel niet kunnen doen. Als we, bijvoorbeeld, ‘slechts’ 10% daarvan zouden besteden aan (vrijwillige) zorg voor ouderen in onze omgeving, dan zou dat zorgprobleem nationaal in één klap en voorgoed opgelost zijn.Toegegeven, er zit ook zinvolle, bewustmakende of charmante inhoud in het Netflix aanbod. En met jezelf af en toe belonen voor inspanningen of verstrooien met een leuke film of serie is ook niets mis. Maar het meeste is niet meer dan kauwgom voor de ogen. En het achter elkaar wegkauwen van afleveringen, het zogenaamde coma-kijken, maakt, zo valt uit onderzoek af te leiden, onrustig en gespannen, verstoort de slaap, doet te lang zitten, en creert achteraf vaak een gevoel van leegheid dat weer, typisch voor verslaving, om een volgende ‘shot’, aflevering of serie, vraagt. Kortom, voor haar, mijn vriendin en voor ons aller welbevinden is Netflix netnix.

 

De dingen dubbel zien

Jaren geleden kocht ik op een markt in Beijing een hoofdje van koper, zo’n 5 centimeter hoog, met aan elke kant, vóór, zij en achter, steeds een ander gezicht ingegraveerd: een schaterlachend, een minzaam glimlachend, een boos en een verdrietig gezicht. Terug thuis heeft het een vaste plaats naast mijn laptop gekregen. De reden daarvan is dat ik er mijn stemming mee kan beinvloeden. Het komt voor dat ik s’ochtend in een ietwat gedeprimeerde stemming aan mijn buro schuif, tegen de dag die voor mij ligt eerder als een opgave dan een uitdaging aankijk, en eigenlijk geen zin of prikkel voel om waar dan ook aan te beginnen. Hoewel er voor mijn gevoel dan  eigenlijk niets te lachen valt, gebeurt dat toch als ik het schaterlachende Boeddha-achtige gezichtje naar mij toe draai. Vrijwel meteen gaan mijn gezichtsspieren dat gezichtje mimicken. En als ik een paar keer even weg en dan weer terug kijk, begin ik ook werkelijk mee te lachen. Niet alleen van buiten, maar ook ergens van binnen. Mijn blik op de dag wordt positiever. Dat kan ik overigens weer min of meer teniet doen door het lachende gezicht weg en het boze of verdrietige naar mij toe te zetten. Zodoende herinnert het hoofdje me dagelijks aan iets buitengewoon wezenlijks. Namelijk dat hoe ik een stemming, gebeurtenis of persoon ervaar of tegemoet treedt, als uitdaging of als bedreiging, grotendeels een kwestie van keuze of ‘zin’geving is.  Een keuze met ingrijpende gevolgen in zowel in mijn persoonlijke, relationele als maatschappelijke levenssfeer. Persoonlijk: zie ik mijn kwetsbaarheid voor depressieve perioden vooral als een bedreiging of eerder als een uitdaging? Relationeel: zie ik communicatie-problemen met een collega voornamelijk als ondermijnend voor de relatie of juist als uitdaging erin te investeren? Maatschappelijk: beschouw ik de huidige klimaatproblemen voornamelijk als beangstigend of zie ik ze voor alles als een uitdaging om samen met anderen aan te gaan staan? Uit onderzoek blijkt dat de keuze voor uitdaging of bedreiging vaak zo snel en onbewust wordt gemaakt dat we het helemaal niet als een keuze ervaren. Voor de meeste voor iedereen overigens, dat ze automatisch vaker bedreigingen dan uitdagingen om zich heen zien. Mogelijk heeft de evolutie, die vooral op overleven in plaats van op beleven is gericht, dat zo gewild. Maar het gevolg is wel dat, psychologisch gezien, het leven niet zelden vooral wordt ervaren als een (ellen)lange aaneenschakeling van inspanningen om bedreigingen  vóór te blijven, te neutraliseren of het hoofd te bieden. Voor van het leven genieten blijft er op die manier tamelijk weinig over. Tenzij we leren vaker gebruik te maken van de mogelijkheid die de evolutie ons ook heeft geven, namelijk te switchen tussen bedreiging en uitdaging. Ook bij eenzelfde situatie, gebeurtenis of medemens. Het dispuut waar ik ooit lid van was had als lijfspreuk deze oproep van de Vlaamse schrijver Hugo Claus: “Voorwaar, gij zult de dingen dubbel zien”. En zo is het maar net.

 

Verbied pensionering

Enige tijd geleden was ik in Chongqing, China, om training in onderwijsvaardigheden  te geven aan universiteitsdocenten. Na afloop van een trainingssessie namen mijn gastheren me mee de stad in en bezochten we onder andere een grote antiekmarkt. Een antiquair tussen wiens spullen we een tijdlang hadden rondgelopen, bood ons thee aan. Terwijl we dat aan een tafel gezeten zaten te drinken, vroeg hij opeens aan mij “hoe oud bent u?” Het moet iets met mijn neiging tot provoceren te maken hebben want ik antwoordde na een kort stilzwijgen: “zo oud dat ik dat vergeten ben”. Ik ben niet vergeten wat er toen gebeurde. Het gezelschap en vooral de antiquair barstte in een luid lachen uit. En terwijl de thee uit het kommetje dat hij in zijn handen hield half over tafel vloog, herhaalde hij schaterend, “dat is ie vergeten!” Toen we even later afscheid namen, stond hij nog steeds half te schaterlachen en met een vriendelijke klop op mijn schouder herhaalde hij nog maar eens “dat is ie vergeten!”. Later die avond tijdens een etentje kwam een van mijn gastheren terug op die ontmoeting. Hij vertelde dat volgens de Chinese traditie hoe ouder mensen zijn hoe meer respect ze genieten. Ze laten daarom maar wat graag weten hoe oud ze zijn. Over zijn vraag hoe dat in Nederland is, heb ik moeten nadenken. Ik weet eigenlijk niet goed of Nederlandse ouderen graag hun leeftijd noemen. De heel ouden, 100 en meer, misschien wel. Maar zo tussen 65 en 95? Ik betwijfel het. Ik heb in ieder geval niet de indruk dat ze daar dan trots op zijn. Het opmerkelijke is wel dat anderen juist graag willen weten wat iemands leeftijd is. Waarom? Daarop heb ik nooit een helder antwoord gehoord. De meesten komen niet verder dan ‘nou gewoon, daar ben ik nieuwsgierig naar’. Vrijwel hetzelfde antwoord krijg ik van journalisten als ik ze vraag waarom ze altijd weer met de leeftijd van betrokkenen in een bericht aan komen zetten. Want wat is nou het nut van vermeldingen, waar kranten en nieuwsberichten bol van staan, als: ‘vrouw (42) had..’, man (61) deed..’, buurman (66) hield..’.  enzovoorts. Ik durf de stelling aan dat het denken in en strooien met leeftijdsgetallen een impliciete vorm van discriminatie instand houdt. Voor tal van beroepen geldt namelijk dat niet de mate waarin iemand fit en (nog) functioneel is maar kalenderleeftijd bepalend is voor uit een functie gepensioneerd = gelazerd te  worden. Maar dat geldt niet voor iedereen. Niet voor politici bijvoorbeeld. Die kunnen tot in de demente eeuwigheid doorgaan zolang ze worden gekozen. Voor sommige functies, zoals die van koning of koningin, geldt zelfs dat je niet eens gekozen hoeft te zijn om toch leeftijdloos te kunnen blijven doormodderen. Hoog tijd dat we aan die ongelijkheden een einde maken. Ik pleit er daarom voor dat vermelding van leeftijd (in berichten, advertenties en arbeidsvoorwaarden) voortaan strafbaar wordt gesteld evenals leeftijdsgebonden (verplichte) pensionering. Ouderen respecteren betekent dat we dat niet langer accepteren.

 

Het verkeerde leven?

Leiden Centraal, vrijdag 27 september. Als ik de roltrap naar het perron voor de trein naar Den Haag afstap, kom ik in een enorme menigte jongeren terecht. Zoveel dat die absoluut niet in één trein kunnen. Ik dus ook niet. Ik baal want ik ben op weg naar een bijeenkomst waar ik niet te laat wil arriveren. Met wat beleefde verzoeken en aansporingen lukt het me toch de eerstvolgende trein binnen te komen. Weliswaar niet verder dan half tegen de deuren aangedrukt en als haring in een ton. Ik kijk neer op twee jonge mannen die op klapstoeltjes zitten. Druk met elkaar in gesprek. Ik hoor ‘die demonstratie’. Nieuwsgierig geworden vraag ik “wat gaan jullie doen?” Ze antwoorden dat ze gaan demonstreren. “Voor het klimaat!” zegt de een. “Nee”, zegt de ander, “voor een ander klimaat”,. “Hebben jullie banners bij je?” vraag ik. “Jazeker “ antwoorden ze in koor en reiken er een aan. “Doet u mee?” Ik leg uit dat ik op weg ben naar een bijeenkomst over de toekomst van het onderwijs. “Ook belangrijk”, reageren ze, “maar dit is nu toch even belangrijker.” Ik ontken het niet. Bij het uitstappen in Den Haag, nadat ik hen een fantastische klimaatdemonstratie en zij mij een fantastische onderwijsbijeenkomst hebben gewenst, word ik opgenomen in een stroom van duizenden jongeren. Die gaan allemaal in dezelfde richting als ik moet. Ter hoogte van het stadhuis scheiden onze wegen. Mijn bijeenkomst is daar op de begane grond van een gebouw waarvan de hoge ramen tot op de stoep doorlopen. Daardoor zien we de hele middag, terwijl we over de toekomst van het onderwijs praten, duizenden jongeren  voorbij trekken. Tijdens een pauze ga ik naar buiten. Terwijl ik naar die indrukwekkend stoet sta te kijken, komen twee meisjes op mij af en nodigen mij allervriendelijks uit mee te lopen. Ik leg uit dat ik andere verplichtingen heb en dus maar heel even kan. Waarop zij ad rem reageren dat alle beetjes helpen. Ik loop een paar honderd meter mee. Wat ze zeggen gedurende die meters houdt me nog altijd bezig. Zoals “Jullie generatie heeft het verkeerde leven geleid”. Als ik vraag of dat een beschuldiging is, ontkennen ze. “Wij denken dat jullie je lange tijd niet eens bewust zijn geweest van hoe slecht jullie op deze planeet en op de natuur gepast hebben. Want succes, economische groei, geld, bezit, dat was jullie God en is het voor de meesten nog”. “Deze demonstratie gaat dus over veel meer dan het klimaat” is mijn reactie. “Dat klopt, en juist daarom moeten jullie meedoen”. Bij het afscheid stoppen ze me een pamflet in handen met daarop een bedankje voor het meelopen en een uitnodiging voor de  Extinction Rebellion manifestatie in Amsterdam vanaf 7 october. Ik besluit mee te doen. Al was het alleen maar om met jongeren zoals zij in gesprek te blijven. Want laten we alsjeblieft voorkomen dat de klimaatkwestie een kloof tussen generaties gaat worden.