Bewaak je grenzen

Er is een tijd geweest, nota bene in de periode dat ik als psycholoog verbonden was aan een herstellingsoord voor overspannen mensen, dat ik zelf dicht tegen overspanning of  burnout aanzat. Op een bepaalde manier besefte ik dat ook maar wilde het niet waar hebben. Ik vond het daarom ook heel vervelend dat mijn ‘senior’, een oudere en wijzere collega, me er herhaaldelijk opwees. “Je zorgt goed voor je clienten, maar niet  voor jezelf, dat gaat ooit mis. Je moet echt leren beter je grenzen te trekken en meer aan grensbewaking te doen. Vaker ‘nee’ zeggen dus. Burn-out is de ‘ziekte’ van teveel ‘ja’ en te weinig ‘neen’. Ook bij ons psychologen”. Er is voor een psycholoog nauwelijks iets krenkender dan te horen te krijgen dat je zelf tekort schiet op een gebied waarop je juist verondersteld wordt deskundig te zijn, anderen te kunnen helpen. Probleem is alleen dat veranderen nergens zo moeilijk als juist daar waar je persoonlijke en beroepsmatige trots en zelfbeeld in het geding is. Mijn eerste neiging was daarom te ontkennen dat ik het moeilijk vond  verzoeken om hulp  te weigeren, ook als ik die er eigenlijk niet meer bij kon hebben, ze best tot de volgende reguliere afspraak konden wachten of niet eens tot mijn takenpakket behoorden. Voor mij stond  weigeren bijna automatisch gelijk met de ander tekort doen, onaardig zijn (of gevonden te worden) en me, als ik het al een keer deed, achteraf schuldig te voelen. Vanwege die gevoelens kwam ik daarom niet zelden terug op een aanvankelijke weigering en bood toch hulp. Wat ik aanvankelijk niet zag was dat ‘ja’ zeggen voor mij een gewoonte was geworden en gewoontes zijn energiebinders. Verbreek een gewoonte en er treedt aanvankelijk bijna altijd spanning op. De onvermijdelijke veranderingsspanning. Cruciaal nu is dat je op die vrijkomende spanning het etiket plakt ‘ik ben een gewoonte aan het veranderen’ en niet “ik doe iets verkeerds (anders zou ik me niet zo gespannen voelen)”. Want dan val je dikwijls terug in je oude gewoonte van ‘ja’ zeggen. Met als gevolg dat je anderen jouw  agenda, jouw werklast en -lust, laat bepalen. Hét recept voor een burn-out: Mijn senior-collega heeft me voor de poorten daarvan weggesleept. Door me bij herhaling in te peperen dat niet alleen in de internationale politiek maar ook in ons persoonlijke leven het bewaken van grenzen een cruciale vaardigheid is. (Terzijde: de talloze thuiswerkers als gevolg van de pandemie weten daar inmiddels alles van). En door me flink mijn eigen trekken thuis te geven: “Jij bent degene, René, die heeft geponeerd ‘leef je leven als het bewonen van een huis met 5 kamers. Een werk- relatie-, gezondheids-. vrijetijds- en een spirituele of zingevingskamer, zorg ervoor dat je in iedere kamer dagelijks tenminste even en over langere tijd gezien een aanzienlijke hoeveelheid tijd doorbrengt, en bewaak de grenzen tussen je kamers goed’. Waar het nu op aankomt is dat jij  praktizeert wat je poneert”. Waarvan acte.

 

 

Photo by JJ Jordan on Unsplash

Wat een gedoe, kinderen

Afgelopen zondag. Terwijl de kleinkinderen zich prima met elkaar vermaken komt het gesprek tussen de kinderen en ons op een gegeven moment op opvoedingsonzekerheden. Of wij die ook gehad hebben. De vraag brengt ons terug op een ervaring van een flink aantal jaren geleden. Mijn vrouw en ik zitten in een koffiehoek op Schiphol te praten met een Amerikaanse collega die bij ons heeft gelogeerd en die weer naar huis vliegt. Niet zomaar een collega, maar de wereldwijd meest invloedrijke  psychotherapeut van de afgelopen eeuw, Albert Ellis. We krijgen het over kinderen en vertellen hem over onze opvoedingsonzekerheden. Op een gegeven moment valt er een stilte. We aarzelen beiden of wij weer door kunnen gaan of eerst hem de gelegenheid moeten geven te reageren. Het probleem wordt in drie woorden opgelost. ,,Children are hassle”, zegt hij, als een rechter die zijn vonnis velt. Vrij vertaald: ‘kinderen zijn gedoe,  gesodemieter’. We kijken naar elkaar, zo van  ‘da’s een heftige!’ Maar vrijwel meteen dringt zich ook een gevoel van herkenning en vooral erkenning op. ‘Kinderen zijn gedoe’ horen we onszelf  zachtjes herhalen, alsof het verlossende woord gesproken is. Alsof iemand ons in een paar woorden bevrijd heeft van de druk van zelfveroordeling. Zelfveroordeling voor het feit dat je opvoeding bij tijd en wijle als een verdomd zware klus ervaart. Een waarvan je je soms afvraagt ‘waar ben ik in godsnaam aan begonnen?’, terwijl je, er eenmaal aan begonnen, toch niets anders wilt. Trouwens ook niet anders kunt. Zelfveroordeling daarom voor gevoelens van boosheid, frustratie, van soms even geen kinderliefde te ervaren maar ze het liefst aan de ophaaldienst mee willen geven. Zelfveroordeling ook voor het ‘klungelen’ met  opvoedingsmethoden. Je beseft dat je vaak maar wat doet. En natuurlijk pakt dat soms niet goed uit. Dan wordt  je kind er alleen maar nog ongelukkiger of vervelender van. En dus jij als ouder ook. Of je begint aan methoden die gewoon niet konsequent vol te houden zijn. Tenminste niet als je ook nog tijd voor jezelf wilt overhouden. Zelfveroordeling daarom ook voor het feit dat je soms gewoon egocentrisch voor jezelf kiest. Ook als je weet dat je kind het gewoon niet wil. Zoals ergens moeten logeren waar het ‘t niet echt leuk vindt. Maar papa en mama moeten er zo nodig samen een paar dagen uit. “Echt, dat ga je na een tijdje heus wel leuk gaat vinden en we nemen een groot kado voor je mee”. Praatjes voor eigen parochie en afkoopsommen. Zijn kinderen inderdaad gedoe, gesodemieter? “Met kinderen” sloot Ellis af terwijl we opstonden om hem naar de gate te vergezellen, “ is het in ieder geval altijd wat. Wat leuks, liefs,  grappigs, teders,  maar ook wat vervelends, beangstigends, verdrietigs, onaardigs. Maar anders dan bij volwassenen moet jij in de relatie met je kinderen de wijste wezen. En dat ben je niet altijd”. “Ja”, reageert mijn jongste zoon met een vette glimlach op ons relaas, “dat hebben we weleens gemerkt”.

 

 

Photo by Caroline Hernandez on Unsplash

Dag Majesteit

“Dag Majesteit, dag Maxima,

Dit is de eerste keer in ruim dertig jaar dat ik op deze plaats een open brief aan één enkele persoon schrijf, en wel aan u. En wel omdat ik in de veronderstelling verkeer dat u op een voor velen buitengewoon gevoelig en belangrijk punt een groot verschil zou kunnen maken. Een verschil in pijn, schuldgevoel en zelfveroordeling. Die veronderstelling baseer ik op het TV-gesprek dat u ter gelegenheid van uw 50ste verjaardag met  Matthijs van Nieuwkerk had. Ik hoopte zeer dat u daarin het spreken over het waarschijnlijk grootste verlies in uw leven, het  overlijden van uw zus Inés, niet uit de weg zou gaan. Dat hebt u ook niet gedaan. Ik ben u daar dankbaar voor. Persoonlijk, als ervaringsdeskundige. Professioneel, als hulpverlener aan nabestaanden van mensen die, evenals Inés, zelf hun leven hebben beeindigd. U hebt op oprechte wijze woorden gegeven aan de vragen waarmee vele tienduizenden in ons land en vele miljoenen over de gehele wereld na een zelfdoding door een dierbare worstelen. Vaak een leven lang. “Waarom?” “Was dit te voorkomen geweest?” “Had er sneller en beter hulp geboden moeten worden”. “Had ík misschien nog meer kunnen doen?” Vragen die zelden of nooit een afdoende antwoord krijgen, zodat mede door het taboe erover te praten met anderen, niet alleen verdriet en frustratie maar ook angst en schaamte je deel zijn als nabestaande. Het is troostend als een ander zich daarin kan inleven. Het is balsemend als een koningin dat kan. Niettemin, ik heb in deze een dringende wens aan u. Wanneer u in het gesprek met Matthijs gaat uitleggen hoe ingrijpend een zelfdoding kan zijn begint u als volgt: “Als iemand in je familie zelfmoord pleegt..”. Toegegeven, tal van Nederlanders gebruiken bijna automatisch termen als ‘zelfmoord’ en ‘zelfmoord plegen’. Maar goed beschouwd zijn het onterechte en vreselijke termen. Ze bevatten een ingebouwde veroordeling en stammen uit tijden waarin zelfdoding werd beschouwd als voor God en gemeenschap de ergste moord en daarmee de grootste misdaad die een mens kon begaan. Maar Inés heeft geen misdaad begaan. Ze heeft zichzelf niet vermoord. Ze heeft, in uw moedertaal vertaald, geen homicidio begaan. Ze heeft voor suicidio gekozen, voor het zelf beeindigen van haar lijden aan het leven. Dat is, op 33-jarige leeftijd, erg genoeg. Laten we op zulke verdrietige keuzes niet ook nog belastende termen plakken. Ze doen zovele nabestaanden steeds weer zoveel pijn. Mede door hen aangespoord span ik me al langere tijd in die vreselijke woorden uit de media en de alledaagse omgangstaal te weren. Maar dat blijkt een lastige opgave. Vandaar dit beroep op u. Uw oprechte openheid over de zelfdoding van uw zus in combinatie met een uitdrukkelijke stellingname uwerzijds tegen onterechte en onnodig pijnlijke termen als zelfmoord en zelfmoord plegen, zal een bizondere impuls betekenen voor de aandacht in de samenleving voor dit grote verdriet. Vooral onder jongeren en jongvolwassenen  zal die aandacht meer dan eens levensreddend blijken.

Ik hoop zeer van u te horen,

Hoogachtend”

Laat werk niet alles zijn

Ik was tegen de avondklok en ben blij dat deze er weer af is. Afgezien van het naar mijn mening nutteloze ervan, speelde ook een egocentrische reden mee. Ik ben gewoon s’avonds laat als het donker is en stil op straat, door het centrum van Leiden te wandelen. Vaak volg ik daarbij de route die twee van de grootste beroemdheden uit de vorige eeuw, Sigmund Freud, psychoanalyticus, en Gustav Mahler, componist, eind augustus 1910 op hun gezamelijke wandeling door de stad hebben gevolgd. Ik begin dan, net als zij, bij het pand in  de Leidse Breestraat dat nu een winkel maar indertijd een café-restaurant was, getiteld In den Vergulden Turk. Het is hun eerste en enige ontmoeting geweest maar een waarover een internationaal studiegezelschap zich nog altijd buigt met de vraag wat er precies tussen beide grootheden is gewisseld. Mahler kampte naar verluid met ernstige psychische en huwelijksproblemen en had al drie keer eerder Freud om een consult verzocht, maar  steeds op het laatste moment toch weer afgezegd. Toen hij voor de vierde keer dringend om een afspraak vroeg liet Freud, die met zijn gezin vakantie in Noordwijk vierde, hem weten dat hij dan naar Nederland moest komen, want na zijn vakantie zou hij naar Sicilie reizen. Mahler heeft inderdaad de trein vanuit Wenen genomen wat resulteerde in de vermoedelijk eerste ambulante psychoanalyse uit de geschiedenis  Voor zover we weten heeft Mahler in vier uur tijd zijn levensverhaal en actuele problemen uit de doeken gedaan en heeft Freud voornamelijk geluisterd. Wat we zeker weten is dat Freud aan het eind gezegd heeft: “ Dat alles wat u me heeft verteld, dat moet in een psychoanalyse doorgewerkt worden”. Waarop Mahler geantwoord zou hebben: “Ik zal me niet laten behandelen want ik wil mijn symfonieen kunnen blijven componeren”. Negen maanden later, morgen 110 jaar geleden, op 18 mei 1911, overleed Mahler, 50 jaar oud. Negen maanden waarin hij zich werkelijk doodgewerkt heeft. Zichzelf lichamelijk volledig uitgeput terwijl zijn creatieve mogelijkheden nog lang niet uitgeput waren. Doodzonde eigenlijk. Voelde Mahler al in Leiden de dood naderbij komen en besloot hij daarom elke minuut die hij nog dacht te hebben te investeren in muziek componeren en dirigeren? Of was hij bang voor de zelfconfrontatie die in analyse gaan ongetwijfeld zou hebben betekend? Afgaande op een brief die hij in zijn laatste levensjaar vanuit New York waar hij dirigeert, schrijft, lijkt het laatste het meest waarschijnlijk: “Ergens in de buurt van Wenen zou ik een huis willen hebben en me niet meer uitsluitend dood willen werken, maar…ik kan niet anders werken dan werken. Al het andere heb ik verleerd”. Op een wandeling recent rond middernacht, het kan weer gelukkig, sprongen mijn gedachten spontaan van Freud-Mahler naar Pieter Omtzigt. Ik wens hem toe dat, anders dan Mahler, werk bij hem niet het laatste woord zal hebben. Want net zoals alles muziek is maar muziek niet alles is, zo is alles politiek maar is politiek niet alles.

 

Copyright-informatie foto: https://commons.wikimedia.org/wiki/File:Photo_of_Gustav_Mahler_by_Moritz_N%C3%A4hr_01.jpg

Ontkennen uit angst

Als ietwat bekendere Nederlander gebeurt het je, of in ieder geval mij, nogal eens op straat door iemand te worden  aangesproken  die jou wel herkent maar jij hem of haar niet.  Soms leidt dat naast een groet, tot een leuk of interessant gesprekje. Maar niet altijd. Onlangs werd ik op een niet echt aardige manier tot tweemaal aangesproken op het feit dat ik in mijn column had geschreven hoe en waarom ik tot het besluit was gekomen me te laten vaccineren. Dat was, zei de een, gewoon stom van mij. Want als anderen mijn voorbeeld zouden volgen en door bloedstolsels om het leven zouden komen, dat dan wel mooi mijn toedoen was. De ander verweet mij lichtgelovigheid  ‘op het domme af’. Want daarmee liet ik mij  door Rutte en zijn bende virologen als een schaap naar de slachtbank leiden. Bovendien liep ik het risico dat er bij de tweede vaccinatie een microchip in mijn bloedbaan zou worden ingebracht waarmee op afstand mijn leven en gezondheid bestuurd zou kunnen worden. Ik was tamelijk beduusd door de agressieve stelligheid  waarmee deze boodschappen gebracht werden. Ik ben ook niet in discussie gegaan maar heb, vriendelijk dankend voor de waarschuwingen, mijn weg vervolgd. De ontmoetingen hebben me wel een tijdlang bezig gehouden. Wat brengt iemand ertoe om terwijl over de hele wereld het leed en de ravage door covid onmiskenbaar is en het wetenschappelijk bewijs daarvoor hoogopgestapeld, het bestaan van de pandemie botweg te ontkennen? Zoekend naar antwoorden herinnerde ik me opeens een oudere publicatie van twee collega’s en mijzelf die gaat over de psychologie van ontkenning. Daarin worden twee intrigerende verschijnselen beschreven. Het ene is het zogenaamde Galileo-effect. Genoemd naar Galileo Gallilei (1564-1642) die door het Vaticaan werd gedwongen zijn waarneming dat de aarde rond de zon draait in plaats van omgekeerd, te ontkennen. Want, zo zei de Paus ‘ik voel niet dat ie draait dus draait ie niet.’ Vergelijk dat met: ik zie geen covid-besmettingen in mijn omgeving dus bestaan ze niet’. Het andere verschijsel wordt wel de eerste regel van de magier genoemd. Die luidt: mensen zijn bereid alles te geloven ofwel omdat ze bang zijn dat het waar is, ofwel omdat ze bang zijn dat het niet waar is. Toegepast op covid, de meeste mensen zijn bang voor covid omdat ze geloven dat het virus inderdaad rondwaart, ook al hebben ze het nooit gezien. Maar er is kleinere groep, de Baudetvolgelingen van deze wereld, die steeds fanatieker geloven en verkondigen dat het virus niet bestaat omdat ze bang zijn dat ze ongelijk hebben. Achter hun  protesten, demonstraties en fanatisme  gaat veelal angst schuil. Angst dat wat je niet waar wilt hebben, wel waar zal blijken. Maar het bekennen van die angst voelt zodanig vernederend, dat je ‘m met alle mogelijk middelen het zwijgen oplegt, verdringt, ontkent.  Wie jouw ontkenning niet deelt, is daarom ofwel stekeblind of tegen jou. Het trieste gevolg laat zich raden. Covid blaast naast immuunsystemen ook relaties op.

 

 

Photo by CDC on Unsplash

Zinvol zelfonderzoek

Ik citeer uit een email naar aanleiding van mijn column getiteld Toeslagenpassion van twee weken geleden: “Wat ik wil weten is hoe het komt dat we als Belastingdienst opeens zoveel fouten zijn gaan maken met het toezicht op de toeslagen. Als ik naar de voorbeelden ervan kijk, vraag me oprecht af hoe het in vredesnaam mogelijk is dat we juist deze fouten hebben gemaakt”. Het zijn woorden die me diep raken. Niet alleen omdat ze door een zeer ervaren belastingambtenaar zijn geschreven. Maar vooral omdat ze de oprechte wens weerspiegelen zicht te krijgen op het waarom van de eigen rol in het veroorzaken van dit drama, dat het leven van tienduizenden heeft ontwricht. Het is precies op dit punt dat het kabinet en andere beleidsverantwoordelijken tot nu toe niet of nauwelijks thuis hebben gegeven. Bij hen gaat het niet over het hoe en waarom van dit drama maar over hoe te bereiken dat de opgelopen politieke en reputatie-schade zo snel mogelijk ongedaan wordt gemaakt. Ze schrikken er ook niet voor terug anderen de schuld in de schoenen te schuiven. Zo verdedigen ministers  het onthouden van informatie aan de Kamer met  ‘dat ze hun ambtenaren niet voor de bus willen gooien’. Maar daarmee zeggen ze in feite ‘we kunnen het hele verhaal niet vertellen zonder onze ambtenaren onderuit te halen = te beschuldigen. Wij stellen weliswaar het beleid vast, maar zij hebben er in de uitvoering zo’n puinhoop van gemaakt. Zij hebben te vaak bij bepaalde bevolkingsgroepen fout gelijk gesteld aan fraude’. Zijn ambtenaren werkelijk de beginoorzaak van het drama? Ik betwijfel het. Onder andere hierom. Toeslagen worden vooral  aangevraagd door sociaal of financieel zwakkeren. Maar dat zijn ook juist degenen die te weinig middelen of steun hebben – denk aan het afbouwen van de sociale advocatuur – om zich van deskundig advies of juridische bijstand te voorzien bij conflicten met de overheid. De affaire is dus ook een symptoom van maatschappelijke tweedeling: van arm versus rijk, kwetsbaar versus weerbaar, laagopgeleid versus hoogopgeleid en van de vooroordelen die daarmee gepaard gaan zoals: onbetrouwbaarder versus betrouwbaarder, hulpelozer versus zelfredzamer, loser versus winner. Rondom bepaalde bevolkingsgroepen is zelfs een cultuur van wantrouwen ontstaan, aangevuurd door bepaalde politieke partijen en stromingen, waardoor allerlei overheidsinstanties, de belastingdienst inbegrepen, sluipend zijn beinvloed. Maar geen minister zit te wachten op het blootleggen van deze factor. Want het betekent dat niet iedereen gelijk is voor de wet, en dus ook niet voor de belastingen. Een doodszonde. Psychologisch-wetenschappelijk onderzoek over het corrigeren van ernstige fouten jegens anderen toont het belang van een drietal stappen aan: 1) onderzoek grondig hoe het heeft kunnen gebeuren; 2) leg uit, bied excuses aan en herstel waar mogelijk de schade; 3) maak duidelijk wat je doet om herhaling te voorkomen. Maar opgelet, in de gegeven volgorde. Bij wie 1) overslaat, is 3) vaak een slag in de lucht en 2) een judasloon of afkoopsom. Gelukkig zijn er  belastingambtenaren die ze heus op het juiste rijtje hebben.

 

 

Foto van (C) Husky zie WikiCommons: https://upload.wikimedia.org/wikipedia/commons/thumb/b/b5/Plenaire_zaal_Tweede_Kamer_-_panorama.jpg/1280px-Plenaire_zaal_Tweede_Kamer_-_panorama.jpg

Troosten is een kunst

Het beeld dat de afgelopen tijd de diepste indruk op mij heeft gemaakt is dat van koningin Elizabeth, voorovergebogen, haar gezicht schuilgaand onder een zwarte hoed en mondkapje en zo alleen, niemand naast haar, zittend in een bank in Windsor Chapel tijdens de afscheidsceremonie voor haar overleden echtgenoot en zielsmaat van bijna driekwart eeuw, prins Philip. Ik zie een verdriet dat oneindig, een mens die ontroostbaar lijkt en voel de neiging opkomen een arm om haar heen te slaan. Het voelt als wreedheid, iemand zo alleen, zo zonder troost, te laten zitten. En mijn gedachten verschuiven naar een boekje dat schrijver Jeroen Brouwers mij ooit zond  met daarin deze opdracht: ‘Voor René….,,onze behoefte aan troost is onverzadigbaar…”. Het boekje gaat over een van Zwedens grootste schrijvers, Stig Dagerman. Hij behoorde tot de mensen die niet geloven dat wij onszelf of anderen kunnen troosten. Troost is altijd een vorm van jezelf of anderen voor de gek houden. Heeft Dagerman gelijk? De wereld staat inderdaad bol van onware en tot niets verplichtende troostprevelementen zoals  ‘Je zult het zien, je komt hier sterker uit’ of ‘Ieder mens krijgt kracht naar kruis’. Behalve onwaar want lang niet iedereen krijgt kracht naar kruis, verplicht het ook nog eens tot niets. Als  iedereen toch kracht naar kruis krijgt, hoeven anderen zich niet in te spannen iemand na een groot verlies te troosten. Vergelijk dat eens met deze waarachtige troostreiking: ‘Je zult je mogelijk nog heel lang kwetsbaar voelen en onze steun kunnen gebruiken voordat je je uiteindelijk beter, sterker gaat voelen’. Behalve uitdrukking van oprechte betrokkenheid ook realistischer. Mensen die een ernstig trauma of verlies lijden, worden daar doorgaans lange tijd niet sterker maar juist kwetsbaarder door. Voor alle ‘verliezers’, dat zijn wij allemaal, koninginnen inbegrepen, is te hopen dat ze mensen in hun omgeving hebben die de kunst van het troosten verstaan maar zich ook bewust zijn dat we het voor troost nooit alleen van anderen moeten hebben. Een deel van onze troost moet van ons zelf komen. Van de trouw aan ons zelf. Trouw aan onszelf betekent dat we bij verliezen gevoelens als angst, verdriet, depressie, boosheid en schaamte, emotionele pijn kortom, erkennen en aanvaarden. Het jezelf inenten met je pijn, hoe heftig soms ook, helpt om psychische immuniteit, weerbaarheid, op te bouwen. Dat is het paradoxale van echte troost. In de woorden van de beroemde psycholoog Carl Gustav Jung: pas als de maan vol is, neemt ze af. Pas als anderen ons helpen onze pijn en kwetsbaarheid volledig te doorstaan, helpen ze ons naar onze sterkte. Een probleem is dat er maar zo weinig anderen zijn die dat kunnen of willen of bij wie wij dat kunnen of willen. Stig Dagerman had ze blijkbaar niet. Veel andere ‘verliezers’ hebben ze blijkbaar ook niet. Kortom, met het oog op de verliezen die je vroeg of laat onvermijdelijk zult lijden, zoek nu al naar zulke anderen. En heb je ze gevonden, wees er dan verdomd zuinig op.

 

 

Foto (C) Michel Claude
Wikicommons licentie info: https://commons.wikimedia.org/wiki/File:Unesco_history,_Visit_Prince_Philip_-_UNESCO_-_PHOTO0000002675_0001.tiff

Crisiskansen

Afgelopen week publiceerde het wetenschappelijk tijdschrift The Lancet een studie uitgevoerd in 21 landen, waaronder Nederland, waaruit blijkt dat in de eerste maanden van de pandemie – april tot en met juli – geen sprake is geweest van een toename van  zelfdodingen. In sommige landen is zelfs sprake van een daling. Dat lijkt opmerkelijk maar is in lijn met wat al vele tientallen jaren bekend is. Zo trok de Nederlandse socioloog Kruijt in zijn studie Zelfmoord statisch-sociologische verkenningen (1960) op grond van eigen en internationaal onderzoek al de conclusie: “Wie in de veronderstelling leeft, dat revoluties, perioden van hevige politieke strijd, of ingrijpende sociale gebeurtenissen met een vergroting van het aantal zelfdodingen gepaard gaan, zal deze verwachting in de zelfdodingliteratuur in het algemeen gesproken niet bevestigd vinden. Al kenmerken crisistijden zich dikwijls door een veelheid van spanningen …toch blijkt dit doorgaans niet tot vermeerdering maar eerder tot vermindering van de zelfdodingfrequentie te voeren”. Kruijt was niet de eerste noch de laatste die dit constateerde. Al veel eerder had de Fransman Emile Durkheim in zijn beroemde studie Le Suicide van 1897, waarmee hii  de grondslag legde voor de suicidologie, de wetenschappelijke bestudering van de zelfdoding, hetzelfde geconstateerd. De verklaring daarvoor moet gezocht worden in het gegeven dat grote sociale crises  collectieve sentimenten oproepen – zeg maar gemeenschapsgevoelens – en dat de activiteiten van het grootste deel van de bevolking zich meer dan tevoren richten op een gemeenschappelijk doel. Zoals in het geval van covid op de voorkoming van ziekte en dood door collectieve gedragsaanpassingen. Anderhalve meter afstand, quarantaine, avondklok en vaccinatie dienen een individueel én een algemeen belang. Kortom, er vindt in crises, aldus Durkheim, “een vereenvoudiging van het leven plaats en een mobilisatie van energie om in leven te blijven of te houden. De individuele mens denkt tijdelijk minder aan zichzelf dan aan de gemeenschappelijke zaak”. Dat zou je trouwens niet zeggen als je afgaat op het beeld dat uit de (sociale) media oprijst. Daar wordt verhoudingsgewijs veel meer aandacht wordt besteed aan het verzet door een minderheid tegen belangrijke algemene gedragsmaatregelen dan aan de acceptatie daarvan door de (zwijgende) meerderheid. Overigens, door die maatregelen zien ook mensen met psychische problemen hun angst of depressieve gevoelens verminderen dan wel normaler voelen omdat ze algemener gedeeld worden. Wat eerder als afwijkend werd bestempeld, wordt nu vaker breed (h)erkend. Dat alles roept een uitermate belangwekkende vraag op. Slagen we erin de verbindende inspanningen  die we nu vanwege de coronacrisis met elkaar leveren, naar andere minstens zo dringende kwesties te verleggen, covid  eenmaal bezworen? Ik pleit dan vooral voor de klimaatcrisis. Wereldwijd is de sterfte als gevolg dáárvan vele malen groter dan de covidsterfte én het is de grootste zorg van de jongeren. Terecht, want het gaat om hun toekomst. Hoogste tijd, meen ik, voor gemeenschappelijke gedragsmaatregelen, routekaarten, en driewekelijkse persconferenties over het terugdringen van het misbruik van onze prachtige planeet. Behalve het milieu zal ook onze psychische gezondheid, vooral die van jongeren, daar zeer bij gebaat zijn.

 

 

Photo by NASA on Unsplash

Vaccinatievertrouwen

Hier zit ik dan  in de wachtruimte aan het eind van de GGD-vaccinatiestraat. ‘Een kwartier  rustig zitten en dan kunt u weg’ hebben ze bij het prikken gezegd. Terwijl ik die tijd uitzit, schieten er tal van gedachten door me heen. Zo ben ik onder de indruk van hoe soepel, vriendelijk en effectief de GGD-straat functioneert. In het kwartier dat ik er ben, ben ik geprikt, twee keer op identiteit gechecked en voorzien van de nodige documentatie voor een tweede prik later. Maar meer nog onder de indruk raak ik als ik bedenk wat hier in deze reusachtige hal, en op hetzelfde moment in tal van hallen elders, in wezen gaande is. Hier heeft een samenleving zich gemobiliseerd om zoveel mogelijk van haar leden te beschermen tegen ziekte en vroegtijdige dood. Kosten noch moeite worden gespaard en die inzet gebeurt zonder onderscheid des persoons. Hier vindt geen selectie plaats op grond van vermogen, status, nut, productiviteit of leeftijd. Zo ook  de maatregelen die buiten deze vaccinatie-straat van kracht zijn. Zoals afstand houden, de avondklok, mondkapjes dragen, zoveel mogelijk thuis werken en blijven en bezoek beperken. Die gelden voor iedereen. De meerderheid heeft die maatregelen impliciet en expliciet ook aanvaard zonder uitzonderingen te eisen. Wat niet wil  zeggen dat iedereen zich daar steeds aanhoudt en onvermijdelijk  flakkert er bij tijd en wijle op beperkte schaal heftig verzet tegen op. Hoe dan ook, soms besef ik – en ik denk velen met mij – nauwelijks van welk buitengewoon proces  we getuige zijn. Niet alleen in ons land maar ook in tal van andere.  Neem alleen maar het feit dat de halve wereld mondkapjes draagt en 1 ½ meter afstand probeert te houden. Of dat in tal van landen, net als het onze, kwaliteit van leven, sociale omgang en economische activiteit door lockdowns voor kortere of langere tijd en soms bij herhaling, ingrijpend worden ingeperkt of opgeofferd. Het opmerkelijke is dat we dat zowel uit besef van individueel als collectief eigenbelang doen. Niet alleen ziekte en dood van ons zelf maar ook van de mensen om ons heen en in onze gemeenschappen hebben we daarmee tot een zorg, of eigenlijk kan ik beter zeggen, verantwoordelijkheid van ieder van ons verheven. Laat ik eerlijk toegeven dat ik vaak getwijfeld heb of ik me zou laten vaccineren. Ik heb lange tijd de farmaceutische industrie argwanend gevolgd aangaande wat er aan wetenschappelijke informatie over werd rondgestrooid. Maar inmiddels heb ik  zoveel informatie voor en tegen bij elkaar verzameld, dat nog meer verzamelen niet of nauwelijks zinnig meer is. Dat het alleen nog aankomt op het nemen van een besluit. Van  ‘ja, ik vertrouw’ of ‘nee, ik vertrouw het toch niet’. Vorige week donderdag nam ik het besluit wél de vaccinatiestraat in te slaan. De doorslag kwam voort uit een besluit dat ik al vele jaren geleden nam: ik wil zo weinig mogelijk in wantrouwen leven. Daarom zit ik hier, nu, in de wachtruimte. Het kwartier is om, ik kan weer gaan.

 

 

Photo by CDC on Unsplash

Je belangrijkste interview

‘Toen ik mijn vader belde om hem te vragen of hij zich door mij over zijn leven wilde laten interviewen, was ik behoorlijk zenuwachtig. Ik had eigenlijk gedacht dat hij het maar een vreemd verzoek zou vinden, en er niet aan zou willen. Maar tot mijn verbazing reageerde hij heel positief. Alsof hij erop had zitten wachten tot iemand hem eindelijk eens zou vragen zijn verhaal te vertellen.’ Onlangs heb ik de laatste hand gelegd aan een boekje,  getiteld In gesprek met je ouders. Handleiding voor je belangrijkste interview, waaruit dit citaat. Het is de neerslag van talloze reacties van lezers op twee columns en een zaterdagbijlage in deze krant over betekenis en belang van het leren kennen van de levensloop van je ouders. Het daarin gepresenteerde interviewschema is de afgelopen maanden door velen opgevraagd, gebruikt en van commentaar, suggesties of ervaringen voorzien. Voor mij reden het schema aan te passen en een overzicht samen te stellen van de naar mijn oordeel meest zinvolle aanbevelingen en meest indrukwekkende ervaringen. Zo heeft me getroffen hoezeer ouders het waarderen als ze door een volwassen kind voor een levensloopgesprek worden uitgenodigd. Zoals de vader hierboven. Getroffen heeft me ook het grote aantal oudere ouders dat het interviewschema heeft opgevraagd om aan een volwassen kind te vragen met hen zo’n levensloopgesprek hen te voeren. Uitdrukking van een diepgevoeld verlangen door hun kind(eren) beter gekend te worden. Die blijken daartoe niet altijd onmiddellijk te motiveren, maar juist de beschikbaarheid van een vragenschema helpt hen nogal eens over de drempel. Sommige ouders besluiten daar niet op te wachten en aan de hand van de interviewvragen hun levensloop-relaas alvast zelf op te schrijven en hun kind(eren) op de beschikbaarheid daarvan te wijzen. Dat zelf uitschrijven blijkt dikwijls een therapeutisch-nuttige ervaring. Een ouder: ‘Al schrijvende heb ik mezelf beter leren kennen’.

Diep getroffen ben ik ook door degenen die bedacht hebben dat het interview ook helpend kan zijn in andere dan ouder-kind relaties. Zo besloot een vrijwilligster in een verzorgingstehuis een mevrouw (89) die ze al enkele jaren had begeleid maar maandenlang door de corona-maatregelen niet had mogen zien, te interviewen. Ze schrijft daarover: ‘Zij mocht nu eindelijk naar buiten, maar niemand mocht haar nog binnen opzoeken. Ik zag een vrouw die ik niet meer kende van vóór die tijd. Ze liep gebogen achter haar rollator, haar haren waren al vele weken niet meer gekapt, haar motoriek liet te wensen over. Ze liep  langzamer en was heel onzeker.  Maar tijdens het interview veranderde haar uitstraling totaal. Niet alleen door de aandacht die ze nu kreeg, maar vooral door het zelf kunnen vertellen over haar leven, kwam ze in een andere, vroegere tijd, háár tijd, terecht. Kortom: ik zag een vrouw die aan de hand van het interview zich waardiger en zekerder ging voelen”. Ik herhaal het daarom nog maar eens: ‘ga naar huis, interview je ouders. En waar het past in je (vrijwilligers)werk, graag ook een of meer andere ouderen’.

Rene Diekstra is 22 april Live in zijn Webinar over In Gesprek met Je Ouders. Meer informatie kun je vinden op: https://www.eventbrite.nl/e/tickets-webinar-rene-diekstra-in-gesprek-met-je-ouders-148433539713

Webinar Rene Diekstra In Gesprek met Je Ouders!