Slaap, gedachte, slaap

Het is een veel voorkomende klacht, vooral in spannende tijden, zoals deze covid-tijd. S’morgens veel te vroeg wakker worden en niet meteen weer in kunnen slapen maar bestormd worden door allerlei spontaan opvloepende negatieve gedachten, die niet zelden een gevoel van hulpeloosheid-hopeloosheid achterlaten. Eenmaal uit bed en afgeleid door je dagelijkse routines verdwijnen ze meestal wel naar de achtergrond. Maar die wetenschap voorkomt niet dat je de volgende ochtendvroeg opnieuw in zo’n negatieve denkbui terecht kunt komen. Als beginnend psychotherapeut en professor had ik daar veel last van en probeerde met verschilllende methoden ervan af te komen. Zonder veel succes. Ik vroeg collega’s ook niet om hulp, want schaamde me voor mijn klacht. Als psycholoog, vond ik, moet je toch zeker zelf voldoende controle over je denken en voelen hebben. Opmerkelijk genoeg is het ook niet een psycholoog geweest maar een filosoof, Blaise Pascal (1623-1662), die me de weg daaruit wees middels zijn boek Pensées (Gedachten) waarin de volgende uitspraak: ‘Ik heb ontdekt dat al het ongelukkig zijn van mensen voortkomt uit één enkel feit: dat zij niet stil en alleen  kunnen zitten in hun eigen kamer. Ze zoeken in of buitenshuis voortdurend naar afleiding want overgeleverd aan enkel hun gedachten, gaan ze zich na enige tijd ellendig voelen, want uiteindelijk zijn we nu eenmaal feilbare, fragiele, sterfelijke, wezens’. Anders gezegd, hebben we een tijdlang geen afleiding, zoals tijdens nachtelijke wakkerperiodes, dan grijpt ons denken zijn kans tot spontane ontlading en bestormt ons met vooral verontrustende gedachten’. Wetenschappelijk psychologisch onderzoek ondersteunt Pascal’s stelling. Aangetoond is dat de meeste van onze spontane gedachten negatief van inhoud zijn en zich centreren rond 3 thema’s.  (1) Gedachten waarin we ons zelf negatief vergelijken met anderen en waarvan de emotionele uitkomst een gevoel van minderwaardigheid, afgunst of jaloezie kan zijn. (2) Gedachten waarin gebrek aan contact of binding met en liefde van anderen het  thema is en waarvan de uitkomst een gevoel van te weinig waardering in ons leven en eenzaamheid kan zijn. En (3) gedachten waarin een gebrek aan controle over ons zelf, onze prestaties, relaties en situaties centraal staat. De uitkomst daarvan is een gevoel van machteloosheid. De conclusie hieruit is dat ons brein vooral een sociaal brein is. Wordt het niet afgeleid (door smartphone, televisie, sociale en andere media, dagelijkse beslommeringen), dan houdt het zich bijvoorkeur bezig met “making sense of others and ourselves” zoals Lieberman dat in zijn boek The Social Brain zo treffend omschrijft. Met proberen ons zelf en anderen te begrijpen en te voorspellen en sociale pijn, pijn die te maken heeft met relaties, te verwerken. Daarvoor heeft ons brein regelmatig perioden nodig waarin het zich zonder afleidingen daaraan kan wijden. En krijgt het die perioden overdag niet, dan dwingt het die s’nachts wel af. Dat inzicht is voor mij de reden  om mijn gedachten overdag twee meditatieve, stille periodes van circa  20 minuten onafgeleid de vrije hand te geven. En inderdaad, sindsdien laten ze me s’nachts veel vaker met rust.

 

 

Photo by Peter Oslanec on Unsplash

Covid’s les

Het is alsof er, met de naderende vaccinatie, iets aan het verschuiven is in de beleving van veel mensen om mij heen, en misschien ook wel in mijzelf. Alsof een zeker ongeduld zich van ons meester maakt. Kern daarvan lijkt de angst te zijn dat besmetting met covid ons toch nog eerder bereikt dan het vaccin ertegen. De angst om de boot of de trein te missen, zeg maar. Het lastige daarvan is dat het een reeele angst is. Het kan nog een hele tijd duren  voor de vaccinatie-expeditie volledig is uitgerold. Wat een vreselijke pech als je, terwijl het vaccin al aan anderen wordt uitgereikt maar jij nog niet aan de beurt bent, je toch nog besmet raakt, ernstig ziek wordt  of zelfs overlijdt. En hoe begrijpelijk dat bij velen het geduld met de autoriteiten begint op te raken. En ze zich meer en meer gaan storen aan en bedreigd voelen door anderen die zich niet aan de opgelegde regels houden. Hoewel leed zich nooit laat vergelijken zijn degenen die tussen nu en vaccinatie zullen sterven daarom in zekere zin de meest betreurenswaardige. Terwijl degenen die wel tijdig gevaccineerd worden in zekere zin  te vergelijken met degenen die aan het einde van WO-2 als eerste door de geallieerden uit de nazi-kampen werden bevrijd. Was dat maar iets later gebeurd, dan was het voor velen  te laat geweest. Overdreven vergelijking? Ja en nee. Ja, want de ellende van een nazi-gestuurd concentratie-kamp is absoluut niet te vergelijken met die van een covid-gestuurde lock-down. En ‘nee’, want we spreken niet voor niets van een lock-down. Wat letterlijk zoiets betekent als opsluiting of afgrendeling. Op een ingrijpende manier heeft covid ons van ons gebruikelijke leven en van elkaar  afgegrendeld en zijn het nu de vaccinatie-troepen die ons daaruit moeten bevrijden. Maar die zullen voor sommigen te laat komen. Dat confronteert ons met uiterst pijnlijke vragen. Sterven er de komende maanden mensen die gespaard waren gebleven als de vacinnatie beter was gepland? Of als we, zolang de vaccinatie nog op zich liet wachten,  ons met zijn allen beter aan de regels hadden gehouden? Beide vragen wijzen naar dezelfde les die Covid ons hopelijk voorgoed inprent: wij zijn niet alleen verantwoordelijk en medebepalend voor onze eigen gezondheid en leven. We zijn door hoe we ons gedragen en wat we beslissen ook altijd  medeverantwoordelijk voor de gezondheid, en daarmee voor leven en sterven, van anderen. Laten we daarom, als we eenmaal de vaccinatie-vluchtheuvel hebben gehaald, alsjeblieft niet terugvallen op die achterhaalde oude order van de dag: gezondheidszorg is zelfzorg. Ooit las ik ergens: “Te beginnen vandaag, benader iedereen die je ontmoet alsof deze mens tegen middernacht overleden zal zijn. Geef hem of haar al de aandacht, zorg, vriendelijkheid en begrip die je kunt opbrengen, en doe het zonder daar iets  voor terug te verwachten. Je leven zal nooit meer hetzelfde zijn.”  Of laat mij dat wat bondiger zeggen: wat gezondheid betreft is goed voor jezélf zorgen niet goed genoeg.

 

 

Photo by Mufid Majnun on Unsplash

Help me

Enkele dagen vóór Kerst, een uur of tien s’avonds. Als ik de huiskamer binnenkom na een on-line lezing vanuit mijn studeerkamer, vertelt mijn vrouw dat een vriendin in paniek heeft gebeld in verband met iets met haar zoon en vraagt of ik terug wil  bellen. Dat doe ik. Ik krijg een angstige vrouw aan de telefoon. Eerder in de avond heeft haar zoon, 18 jaar, eerstejaars student en vanwege corona thuiswonend, zich laten ontvallen dat hij het helemaal niet meer ziet zitten en eigenlijk niet meer wil leven. Het gesprek tussen hen is niet goed verlopen en hij heeft zich in zijn kamer teruggetrokken. Zou ik alsjeblieft met hem willen praten? Omdat ik denk dat het mogelijk niet werkt mijn bereidheid via zijn moeder te laten weten en we elkaar enigzins kennen, bel ik zelf hem op zijn mobiel en stuur een whatsapp. Hij reageert. We hebben een vrij lang gesprek. Gezien de inhoud daarvan stel ik hem voor de volgende ochtend bij mij verder te praten. Wat die ochtend volgt, is niet zozeer een gesprek tussen therapeut en client als wel tussen volwassene en jongere. Over je minderwaardig en depressief voelen, over doodswensen en eenzaamheid en over hoe daarmee om te gaan. Op een gegeven moment vraagt hij of ik die gevoelens zelf ook ken. Ik antwoord dat, als ik het toelaat, ik ook nu nog heel goed kan oproepen hoe pijnlijk negatief ik over mezelf als jongere kon denken. Dat er niets goed aan me was. Dat ik er maar beter niet meer kon zijn. Dat het daarom ook gevaarlijke gedachten waren. Ik zonderde er me mee af en liet me erdoor wegzuigen in een soort doodsverlangen. Maar d at ik inmiddels wel geleerd heb hoe ik ermee moet omgaan, ze moet temmen. “Wat heeft je het meest geholpen?” is zijn vraag. “Mijn niet-helpende, levensbedreigende gedachten die onder dat doodsverlangen  schuilgaan, te uiten”, antwoord ik. “Door ze  op te schrijven, tegen anderen uit te spreken, ze om te zetten in helpende, levensverlangende gedachten. Maar vooral door anderen te vragen me daarbij te helpen. Als ik in die tijd iets moelijk vond, was het anderen om hulp te vragen. Uit eigen ervaring weet ik daarom dat het klopt dat jongeren of volwassenen vaak ook zichzelf veroordelen tot eenzaamheid”. En opeens herinnerde ik mij en vertelde hem het volgende verhaal dat een hulpverlener mij als jongere ooit vertelde en dat voor mij nog altijd ‘behulpzaam’ is.  ‘Een jongere was bezig om een zware steen op te tillen maar dat lukte hem niet. Op een gegeven moment kwam iemand voorbij. Hij zag de jongere een tijdlang worstelen en vroeg: Gebruik je wel al je krachten? “Ja, dat doe ik zeker meneer” antwoordde de jongere geirriteerd. “Nee, dat doe je niet” antwoordde de man: “Ik sta hier al even, maar je hebt me nog altijd niet gevraagd je te helpen.”

Nauwelijks was ik uitverteld of hij reageerde met: “Oké, ik snap het…. Wil je me alsjeblieft helpen…..?”