Psychologische autopsie

Als iemand door een ander wordt gedood, denk aan het drama Anne Faber, dan halen we terecht publiekelijk alles uit de kast om te achterhalen hoe dit heeft kunnen gebeuren en hoe het in de toekomst mogelijk voorkomen kan worden. Zoals, in het geval van Michael P., de moordenaar van Anne, welke lering we daaruit wat betreft TBS moeten trekken. Maar als iemand zichzelf doodt, doen we dat alles niet. Dan gaan we als samenleving voornamelijk over op gefluister of doen er zo snel mogelijk het zwijgen toe. Als een boek dat maar zo kort mogelijk geopend mag blijven. Dat is aan de ene kant begrijpelijk. Zelfdoding is veelal met zoveel ontreddering, schuld- en schaamtegevoelens en vraagtekens omgeven en slaat zulke diepe wonden bij nabestaanden, dat we bang zijn het hen nog moelijker te maken. Maar aan de andere kant is het ook vermijding en angst die ons leiden. We weten niet goed wat te zeggen tegen of te laten weten aan een familie als de Zorreguitas nu ze Inès, door zelfdoding, door ophanging waarschijnlijk, heeft verloren. Alleen al het beeld daarvan ervaren we als zo griezelig dat we dat het liefst ontlopen of zo snel mogelijk wegduwen. Diezelfde angst verleidt ons ook tot te-kort-door-de-bocht verklaringen. Zoals dat Inès (33) worstelde met depressies. Of dat modeontwerpster Kate Spade (55), die ongeveer tezelfdertijd op dezelfde manier een eind aan haar leven maakte, de scheiding van haar man niet aankon. Of dat chefkok en televisiester Anthony Bourdain (61), die zich in dezelfde week eveneens verhing, een te gestresst leven leidde en teveel aan de alcohol was. Zelfdoding is een te absoluut, te ingrijpend, te complex en doorgaans al veel langer overdacht en gepland gedrag om middels  simplificaties als depressie, scheiding, of stress en alcohol begrepen en verklaard te worden. Directe nabestaanden weten dat vaak maar al te goed en daarom zijn de twee sleutelvragen bij vrijwel iedere zelfdoding -“Waarom?’ en “Was dit te voorkomen geweest?’ – voor hen zo kwellend. Ik sluit niet uit dat als bij Inès, Kate en Anthony psychologische autopsie zal worden gedaan – een methode om achteraf vast te stellen welke factoren een rol hebben gespeeld in de zelfdoding en wat waarschijnlijk de doorslag heeft gegeven –   bij alle drie zal blijken dat hun zelfdoding allesbehalve een donderslag bij een verder heldere hemel is geweest. Ik vind het daarom erg en verwijtbaar dat wij als samenleving, anders dan voor doding door een derde, voor  zelfdoding nog nooit iets hebben ingericht waar hand in hand met nabestaanden middels psychologische autopsie wordt gepoogd onderbouwde en verhelderende antwoorden te vinden op die twee cruciale vragen. Erg omdat zonder antwoord op de vraag Waarom? rouw geen einde of althans geen rust vindt. En erg omdat zonder gezamelijk zoeken naar antwoorden op de vraag Was dit (mogelijk) te voorkomen geweest? we als samenleving keer op keer weer niets leren van de zelfdodingen die in ons midden plaatsvinden.

(De stichting Algemeen Nederlands Gezelschap voor de Studie van Zelfmoordproblemen heeft het initiatief genomen tot een voorziening voor psychologisch autopsie)

Ministerie van Ellende

Stel, je hebt twee zonen die bij je in de winkel werken. Op een dag besluit je dat de boel weer eens fris opgeschilderd moet worden, koopt een hoeveelheid verf en zet de jongens daarmee aan het werk. Halverwege de klus krijg je uit betrouwbare bron te horen dat het werken met die verf niet veilig is en zelfs levensbedreigende ziektes, zoals kankers, kan veroorzaken. Wat te doen? De boel stilleggen, alles eraf halen en met veilige verf opnieuw beginnen? Dat brengt niet alleen veel extra kosten met zich mee en frustratie bij klanten, maar ook organisatorisch gedoe en onrust onder je jongens. Want je moet wel uitleggen waarom.  Indachtig de wijsheid ‘wat niet weet wat niet deert’, besluit je – ze hebben er toch al een tijd mee gewerkt en wat maakt een periode meer of minder dan nog uit –  er het zwijgen toe te doen. Twintig jaar later. Bij een van je zonen is longkanker geconstateerd en bij de ander darmkanker. Uit intussen op de verf uitgevoerd onderzoek blijkt inderdaad dat longkanker een erkend risico is. Je zoon krijgt die informatie ook onder ogen en komt verhaal bij je halen. Na het nodige gedoe besluit je hem af te kopen met een som geld. De zoon met de darmkanker hoort daarvan en komt ook nu verhaal halen. Jij vindt dat niet terecht want uit het verfonderzoek blijkt het risico op darmkanker niet waarschijnlijk. Maar goed, niks is zeker, jij wilt niet lullig doen en scheept ‘m af met een veel kleiner bedrag, ongeveer een tiende. Dan wordt publiekelijk bekend dat jĺj al jaren wist dat die verf (bloed)gevaarlijk was. Je verdediging? Excuses en: ‘de cultuur in die tijd nu eenmaal zo was dat men aan allerlei bedrijfsrisico’s niet zo zwaar tilde en daar bij voorkeur over zweeg’. Wat is dat voor een vader, in welke tijd ook, die zo met zijn kinderen omgaat. Wat is het voor een overheid die zo met haar burgers omgaat? De chroom-6 verfaffaire, waarvan honderden mannen van Nederland op een vreselijke manier het slachtoffer zijn geworden, laat zien dat die overheid, in casu het Ministerie van Defensie, zich als een misdadige, misbruikende vader heeft gedragen. Willens en wetens hebben leiddinggevenden daar  decennia-lang honderden medewerkers misleid door ze niet te informeren over en te beschermen tegen de gevaarlijke stof waarmee ze moesten werken. En zelfs nu steeds duidelijker wordt wat voor doffe ellende dat voor velen en hun omgeving meebrengt, gedraagt die overheid zich nog als de spreekwoordelijke Hollandse kruidenier van zo zunig mogelijk. De conclusie. De overheid is  niet alleen een schandalig slechte, misbruikende vader gebleken. Ze corrigeert zichzelf ook niet. Want geen overheidsdienaar die bij die misdadige verdoezeling van de waarheid hand- en spandiensten heeft verricht, zal daarvoor persoonlijk verantwoordelijk worden gesteld. Nee, het persoonlijke leed is  voor de slachtsoffers. Ik denk aan Hamlet: ”There is something really rotten in the state of the Netherlands”.

Werk als religie

Als je je leven opvat als het bewonen van een huis met 5 kamers – een werkkamer, relatiekamer, gezondheidskamer, vrije tijdskamer en spirituele of zingevingskamer – welke vind je dan de belangrijkste? Die vraag stelde ik onlangs tijdens een seminar aan een groep leidinggevenden.  De overgrote meerderheid koos, via stemkastjes, voor de relatiekamer. Mijn volgende vraag was: “In termen van tijd, aandacht en energie die je er in investeert (inclusief emailen, telefoneren..etc) welke kamer heeft in werkelijkheid de hoogste prioriteit?” Bij ruim 4 op de 5 deelnemers bleek dat de werkkamer te zijn! Oftewel, de ‘kamer’ waarvan de meesten zeggen dat die de belangrijkste  in hun leven is,  de relatiekamer, krijgt in het dagelijkse werkelijkheid toch niet de ‘prioritijd’. Die is absoluut weggelegd voor werk.  Aangenomen dat mijn seminargroep een representatieve steekproef is, is dat historisch gezien opmerkelijk. Amper twee eeuwen geleden was het feit dat je voor je levensonderhoud moest werken iets beklagenswaardigs of minderwaardigs, althans voor de bovenlagen van de samenleving. Werken was voor degenen aan de onderkant. Voor hen was werk overlevingsnoodzaak en plicht. Of zoals een gevleugelde uitdrukking luidde: arbeid adelt maar de adel arbeidt niet. Veelzeggend is dat het woord arbeid afgeleid is van woorden die slaaf of slavernij betekenen. Die situatie is inmiddels radicaal omgedraaid. De ‘hogere’ klassen hebben het nog nooit zo druk gehad – ‘het heel druk hebben’ is nagenoeg een compliment – terwijl aan de ‘onderkant’ van de samenleving steeds meer werk en werkenden dreigen te verdwijnen. Het lijkt erop dat werk de religie van de hogeropgeleiden en beter gesitueerden van onze tijd is geworden en dat de mantra van die religie luidt: ‘ik werk dus ik ben’. Vandaar dat voor steeds meer mensen hun passie of roeping in het leven nu eerst en vooral met werk te maken heeft. Dat roept een cruciale vraag op: wat is dat dan precies  wat we ‘werk’ noemen, hoe dat te definieren? Oftewel, waar liggen de grenzen van wat nog wel en wat niet meer werk is? En juist daarin zit ‘m de kneep. De grenzen van werk zijn zodanig aan het vervagen of opgerekt, dat het onderscheid met andere levensgebieden ofwel steeds moeilijker te maken is of, nog ingrijpender, dat werk daarvan steeds meer opslurpt, annexeert. Een voorbeeld. Werk is druk bezig de ontspannings- en meditatierituelen van de oude religies op te ruimen. Denk aan het verdwijnen van de zondagsrust of het Sabbath-ritueel. Volgens de werk-religie moeten we altijd en overal kunnen werken. Via laptop en mobiel slepen velen daarom hun werk ook overal mee naar toe. Maar door die toenemende grenzeloosheid van werk staan velen ook steeds vaker constant onder druk van hun werk. Onder werkstress dus. En onder de risico’s daarvan, zoals overspannen raken of opgebrand of burn-out. En dan te bedenken dat als mensen op hun sterfbed gevraagd wordt waar ze spijt van hebben, een vaak gegeven antwoord luidt: ‘Ik wilde dat ik niet zo hard had gewerkt’.

*** Professor René Diekstra geeft in 2018 diverse ‘Psychologie op het Werk’ trainingen. Stuur een mail naar info@diekstra.nl voor data en meer informatie. ***

Onverslaanbare afgoden

Vlak vóór de eeuwwisseling werd door de toenmalige Minister van Verkeer en Waterstaat, Netelenbos, een collega en mij gevraagdof wij als psychologen manieren konden verzinnen om Nederland uit de auto te krijgen. Ons antwoord aan de minister op basis van onze studie over de psychologie van de auto was kort: vergeethet maar. Je krijgt Nederland de auto niet uit. Autobezit enautogebruik zullen de komende decennia alleen maar toenemenen politiek en beleid zullen voortdurend achter de feitenaanhollen. Waarom wij dat zo stellig durfden te beweren? Omdatvan alle technische verschijnselen die de mensheid tot op hedenheeft geproduceerd, de auto psychologisch gezien veruit de slimste en aantrekkelijkste is. Geen andere technische vinding die daar ook maar in de buurt komt, met een lichte uitzondering, ooit,voor de mobiele telefoon. De auto is zo’n knappe enonverslaanbare techniek omdat het meerdere essentielepsychologische behoeften tegelijkertijd bevredigt. Zoalsmachtsbehoefte. Rijdend in een auto voelen we ons niet alleenmachtiger, maar zijn we ook daadwerkelijk machtiger. Of territorium-behoefte. Met de auto kunnen we, bijna naar willekeur,in de openbare ruimte voor kortere of langere tijd plaats innemenzoals we dat op geen enkel andere manier kunnen. Ofbeschermingsbehoefte. De auto beschermt ons tegen wind, regen, kou, pijn en ander ongemak. Of behoefte aan persoonlijkeintimiteit en contact. De auto is een intieme ruimte waar we vaakdichter op en met anderen zitten dan waar dan ook elders. Uitzondering is misschien onze huis- of slaapkamer. Maar het is niet overdreven te stellen dat de auto niet zelden fungeert als eenuitbreiding van onze huis- of slaapkamer. Of, voorts, onzebehoefte aan bewegingsvrijheid. Er is geen technische vinding endie is er ook nooit eerder geweest, waarmee we geheelzelfstandig onze bewegingsvrijheid naar willekeur en wens zo kunnen vergroten als met de auto. Het vliegtuig waarin we stappen is vrijwel altijd van een ander. Hetzelfde geldt voor treinof bus. Het is ook altijd een ander die daar aan de knoppen zit ende dienstregeling bepaalt. We zijn nergens zo zelfsturend, zo autonoom als in of met onze auto. Geen wonder dat we ons aaneen techniek die zoveel essentiele psychologische behoeftenweet te bevredigen ook emotioneel hechten. Veel mensenhouden van hun auto, koesteren ‘m,  verzorgen ‘m, praten ertegen, verfraaien ‘m, voeren er make-up beurten op uit(glanspoetsen, chroomverzorging), strelen ‘m daarna en staan ervervolgens verliefd naar te kijken. Geen wonder ook, tenslotte, dat de auto een favoriet gespreksthema en sociaal bindmiddel isgeworden. Rondom auto’s van een bepaald type of leeftijd zijnhele gemeenschappen gevormd . Zoals de 2CV-club, de Keverclub, de Cabriofun club, de Corvette Fame club. Nederland kent op dit moment minstens 150 van zulke clubs, met in totaalvele duizenden leden. De conclusie? De auto, die blikkenbaarmoeder, is dé onverslaanbare afgod van deze tijd. Helemaalin combinatie met die andere onontkoombare mobiele eenheid, de smartphone.

Jong en elegant

Onlangs, thuiskomend van een afspraak in de stad, bleek dat mijn tas ergens onderweg van mijn bagagedrager moest zijn gevallen. Er zaten een aantal documenten en spullen in die ik diezelfde dag nog nodig had, onder andere voor het geven van een college en voor een muziekrepetitie. Geschrokken en flink boos op mezelf omdat ik de tas vermoedelijk niet goed had vastgemaakt, heb ik als een speer de route teruggefietst. Tevergeefs. De tas was nergens te bekennen. Weer thuis heb ik innerlijk een tijdlang heen en weer gependeld tussen de hoop dat de tas op de een of andere magische manier toch weer boven water zou komen en de fatalistische zekerheid dat ik dat maar beter kon vergeten. Zelfs als iemand de tas had meegenomen en eerlijk genoeg was om ‘m te willen bezorgen, hoe moest die dan weten aan wie? Ik had nog maar net besloten mijn verlies definitief te nemen, toen er aan de voordeur werd gebeld. Ontstemd als ik was besloot ik eerst niet open te doen. . Maar  beleefdheidshalve ging ik vanachter de vitrage op de eerste verdieping toch kijken. Daar stonden twee meisjes, ik schatte zo zestien jaar, met de fiets aan de hand. Een van hen zag ik voornamelijk op de rug omdat ze te dicht bij de deur. Mijn onmiddellijke  conclusie was ‘die ken ik niet, daar ga ik nu niet voor open doen’. Maar terwijl ik me van het raam wegdraai, draait het ‘voorste’ meisje zich weg van de deur. In haar hand een tas. Mijn tas! Ik storm m’n studeerkamer uit, de trap af, ruk de voordeur open, bang dat ze wegfietsen. Ik ben net op tijd. “Dit is uw tas toch?’, zegt ze ietwat verlegen glimlachend. Van opluchting mompel ik een stroom dankbaarheidsbetuigingen, en wil een beloning aanbieden. ‘Uw opluchting is beloning genoeg’, zegt ze gedecideerd.  Achteraf, ik bedenk dat pas als ze  wegfietsen, heb ik spijt niet naar hun adres of mobielnummer te hebben gevraagd voor een dankgebaar. Als ik even later de spullen uit de tas haal en me afvraag hoe ze in hemelsnaam hebben uitgevonden waar die terug te bezorgen, ontdek ik, ik was het allang vergeten, ergens in een opschrijfboekje mijn adres te hebben genoteerd. Het vergroot mijn erkentelijkheid. Ze moeten, de tas op straat vindend, uit de inhoud hebben opgemaakt dat die voor iemand’s werk heel belangrijk was. Vervolgens gezocht hebben naar zijn adres. Dat vindend besloten hebben de spullen terug te bezorgen. En de moeite genomen hebben dat zo snel mogelijk te doen. Waarbij de opluchting van de betrokkene voor hen voldoende beloning en dankbaarheid was voor al die moeite. Op zulk gedrag past mijn inziens maar één etiket: elegant. Elegant in de al eeuwenoude drie meest oorspronkelijke betekenissen van dat woord: voorbeeldig (‘het goede voorbeeld gevend’), zorgvuldig (‘met zorg voor anderen’), en sierlijk (‘op een manier die je als persoon siert’).

Heb jij soortgelijke elegante ervaringen gehad met jongeren: laat ze me weten en bundelen! Stuur je verhaal per e-mail naar : r.diekstra@ucr.nl

Fietsvervuiling

“Ze passeren je links, ze passeren je rechts en als je een loopplank op je kofferbak legt, gaan ze ook daarover heen”, hoor ik een taxichauffeur woedend tegen de agenten zeggen. Hij heeft zojuist een fietser aangereden die ten onrechte voorrang had genomen, waarschijnlijk omdat ze meer op haar mobile dan op het verkeer lette. Het lijkt met lichte verwondingen af te lopen maar de schrik, ook bij de taxichauffeur, is er niet minder om. Ik vrees dat het een ongeval is van een type dat dagelijks op allerlei plaatsen in het land plaatsvindt en steeds vaker zal voorkomen. Want sluipend heeft zich in de afgelopen jaren een ware fietsersepidemie ontwikkeld en daarmee een hele trits van steeds hinderlijkere, onbeschoftere en gevaarlijkere gedragspatronen. Ik noem er een paar. Wat ooit bijna streng verboden was, is nu schering en inslag: fietsen over de stoep. Ik word dagelijks op mijn wandelingen links en rechts door fietsers op de stoep gepasseerd, zelfs als er naast de stoep een fietspad is. Dat je daar als voetganger vaak flink van schrikt zal de fietser een zorg wezen. Stoppen voor een zebra waar jij op het punt staat over te steken doen fietsers sowieso niet. Ook rode lichten stralend in hun richting zijn voor velen geen relevant sein. Evenmin relevant is voor veel fietsers dat het bij donker van levensbelang kan zijn dat je fietslichten aan hebt. Ik ben al heel wat keren in de auto geschrokken van een fietser die onverlicht plotseling uit het donker aan komt zetten en waarvoor ik nog net op tijd kan remmen of uitwijken. Dat roept iedere keer weer mijn woede op. Want als er op die manier een ongeluk gebeurt dan ben ik als automobilist zwaar de pineut ook als het absoluut niet mijn schuld is. En dan de fietsvervuiling. Ze worden overal neergezet, tegenaan gezet, neergesmeten, liggen om of zo geplaatst dat je ze eerst weg moet zetten alvorens je door kunt lopen. Maar het kan altijd erger. In mijn stad, Leiden, zijn er straten met  relatief smalle stoepen waarop zoveel fietsen bij elkaar staan dat er geen loopruimte meer overblijft. Je moet als voetganger daarom steeds naar de rijweg uitwijken. Maar daar rijden weer auto’s en scooters. Zodat zo’n straat voor jou als voetganger letterlijk een riskant parcours met hindernissen is. Het is er alsof tegen je geroepen wordt: ‘voetganger, je hebt hier eigenlijk niks te zoeken, maar als je dan toch zo nodig moet dan zie je maar dat je er door komt’. En precies daar zit ‘m psychologisch de kneep. De doorsnee-fietser heeft geen boodschap aan de voetganger, negeert ‘m straal, en behandelt volstrekt respectloos als een hinderlijke aanwezigheid die in de hierarchie van de openbare ruimte op de alleronderste plaats hoort. Ik weet het, meer fietsen betekent minder milieuvervuiling en dat is goed. Maar het betekent ook meer gedragsvervuiling en dat is slecht. Hoogste tijd voor een nationale fietsetiquette.

Déze laatste wil?

Onlangs vroegen studenten naar mijn mening over het beschikbaar stellen van een pil aan iedereen die dat wil, waarmee je op een pijnloze en snelle manier je leven kunt beeindigen. Aanleiding waren berichten over de Cooperatie Laatste Wil, die voornemens is zo’n middel op de markt te brengen. Ik heb de vraag teruggespeeld en naar hun mening gevraagd. De antwoorden varieerden van ‘waarom niet?’ en ‘kan voor sommige mensen een uitkomst zijn’ via ‘mag dat dan zomaar?’ tot ‘griezelig, kan ook misbruikt worden’. We hebben vervolgens een document besproken waarin de Cooperatie haar ideaal aldus verwoordt: ‘het autonoom regisseren van het eigen levenseinde zonder tussenkomst van hulpverleners’. Wat ons opvalt is dat in dat document nergens het woord zelfdoding voorkomt. Elders op haar website gebruikt de Cooperatie zelf het woord zelfdoding maar één keer. Waarom zo terughoudend om bij naam te noemen waar het in wezen omdraait, helpen bij zelfdoding? Wij vermoeden angst om aangifte van hulp bij of aanzetten tot zelfdoding uit te lokken. Dat gaat waarschijnlijk toch gebeuren als de organisatie haar dodelijk middel gaat verkopen. Want het leidt vrijwel zeker tot een aanzienlijke toename van zelfdodingen. De verklaring is deze. De waarschijnlijkheid van gebruik van een bepaald middel laat zich voorspellen aan de hand van twee factoren, te weten de beschikbaarheid ervan, materieel en psychisch (hoe vaak en gemakkelijk je eraan denkt), en de aanvaardbaarheid van het gebruik ervan. Neem alcohol. Vergeleken met de jaren vijftig van de vorige eeuw is de beschikbaarheid daarvan in- en buitenshuis massaal toegenomen, denken veel mensen er dagelijks aan en is ook het aantal situaties waarin alcoholgebruik aanvaardbaar wordt geacht, geexplodeerd. Gevolg? Een meerderheid van de Nederlanders gebruikt thans alcohol en een aanzienlijke minderheid is probleemdrinker of verslaafde. Ook voor zelfdoding geldt dat alles wat beschikbaarheid en aanvaardbaarheid van een dodelijk middel of methode vergroot, het gebruik ervan doet toenemen. Voorbeeld. De talloze berichten over de zelfdoding van filmster Robin Williams in 2014 leidden in de daarop volgende maanden tot een toename van zelfdodingen in de VS van circa 10% (!). Vaak met dezelfde methode als Williams gebruikte. De media-aandacht had zelfdoding psychisch tijdelijk meer beschikbaar gemaakt. En zelfdoding werd meer aanvaardbaar nu zelfs zo’n succesvol en geliefd mens daarvoor had gekozen. Wat de Cooperatie betreft, de middelenverkoop en de media-aandacht daaromheen zullen straks de materiele en psychische beschikbaarheid van zelfdoding als optie vergroten en de beloofde werking van het aangeboden middel de aanvaardbaarheid. Maar niet alleen onder degenen wier situatie uitzichtloos is. Ook onder degenen wier situatie niet uitzichtloos is, al ervaren ze het wel zo. Misschien wel, omdat ze, de filosofie van de Cooperatie volgend, tussenkomst van anderen hebben afgewezen. In mijn filosofie is zelfdoding de belangrijkste troefkaart in het kaartspel van het leven. Die zet je pas in als je echt niets anders meer in handen meent te hebben. Maar dat goed beoordelen vraagt bijna altijd om betrokkenheid van anderen.

De Heineken Spelen

Net als hij heb ik een oudere broer verloren aan de alcohol. En net als op hem heeft dat op mij een enorme indruk gemaakt. Alcohol heeft in het leven van zowel zijn als mijn broer zoveel kapot gemaakt. Ik beschouw het sindsdien als de gevaarlijkste harddrug op deze planeet. Reden waarom ik ooit een artikel schreef onder de titel ‘Arresteer Heineken‘. Daarin de oproep de fabrikanten van alcoholische dranken op dezelfde manier te behandelen als andere harddrugproducenten. Vervolgen dus. De enorme psychische, sociale en lichamelijke gezondheidsschade die alcohol aanricht, vraagt om vergaande maatregelen. Naar schatting zo’n 500.000 Nederlanders zijn alcoholverslaafd, mogelijk een miljoen zijn probleemgebruikers, miljoenen gebruiken alcohol met een zekere regelmaat, en in duizenden gezinnen ontwricht alcohol opvoeding en veiligheid, fysiek, sexueel en emotioneel. Geweld in openbare ruimtes en dodelijke verkeersongelukken zijn vaak alcoholgerelateerd, evenals een aantal ziekten en minstens 3000 kankerdoden per jaar. Maar wat doen we met de alcoholbaronnen? Die laten we min of meer hun gang gaan, grote winsten opstrijken en bombarderen ze zelfs tot een soort van nationaal uithangsbord. Denk aan het Holland Heineken Huis tijdens de Olympische spelen waar ook onze koning acte de presence geeft. Onlangs hebben een aantal organisaties, zoals ziekenhuizen, verslavingsinstellingen en zorgorganisaties, besloten zich aan te sluiten bij een initiatief van advocaat Ficq om aangifte te doen tegen de tabaksfabrikanten. Beschuldiging is dat ze mensen aanzetten tot gedrag dat zelfbeschadigend is en dodelijke ziekten veroorzaakt. En ze doen dat onder meer, aldus het verwijt, door stoffen aan sigaretten toe te voegen die het risiko op verslaving verhogen. Volgens de aangevers is dat alles crimineel en ofwel poging tot moord of zware mishandeling. Toch hoop ik zeer dat het OM vervolging afwijst. Natuurlijk is roken (zeer) schadelijk voor de roker en is er alle reden om het zoveel mogelijk terug te dringen. Onder meer door de tabaksfabrikanten op hun verantwoordelijkheid in deze aan te spreken en als ze die onvoldoende nemen ze aan te pakken. Maar ook alcoholfabrikanten voegen (niet zelden) ‘aanzet’ stoffen toe. En van tabak roken word je in ieder geval niet gewelddadig, crimineel, asociaal in de omgang en dodelijk gevaarlijk in het verkeer. Kortom, zolang de fabrikanten van het veel schadelijker en gevaarlijker alcohol ongemoeid worden gelaten is het vervolgen van tabaksfabrikanten hypocriet. Hoe hypocriet? Stel, in Pyongyang zou niet een Holland Heineken Huis staan maar een Holland Philip Morris Huis en Willem Alexander zou daar gewonnen medailles gaan meevieren. Wat dan? Dan zou het land te klein zijn en de monarchie in gevaar. Zo hypocriet dus. Voor dat oordeel kreeg ik onlangs uit geheel onverwachte en machtige hoek bijval. “Ik heb nooit begrepen”, aldus Donald Trump in een interview, “waarom mensen niet achter de alcoholfabrikanten aangaan zoals ze dat wel achter de tabaksfabrikanten doen. Alcohol is een veel ernstiger probleem dan tabak”. Ter informatie, Trump is de ‘hij’ over wiens broer ik in het begin van deze column heb.

Irrelevante mensen

Enige tijd geleden was ik naar aanleiding van mijn boek Verzorgingstehuis of plaats delict?, over diefstal van ouderen in zorginstellingen, door de clientenraad van een verzorgingstehuis uitgenodigd voor een voordracht. Na afloop heb ik nog enige tijd met bewoners doorgepraat. Op een gegeven moment kwam de vraag op tafel wat het moeilijkste is aan ouder worden. Het antwoord dat een van de bewoners daarop gaf, had ik nooit eerder gehoord. Maar het heeft me sindsdien niet meer losgelaten en dikwijls als ik nu oude mensen tegenkom, komt het weer boven. “Het ergste” aldus het antwoord van die bewoner, “is dat je irrelevant bent geworden”. “Irrelevant?” reageerde een van de anderen alsof het een onnodig moeilijk woord was. “Ja irrelevant.”, antwoordde hij beslist, ”Dat wil letterlijk zeggen ‘niet meer ter zake doende’. Je doet er niet meer toe, bent nergens meer voor nodig, niemand zit meer op je te wachten, je bent anderen hoogstens tot last. En er moet voor je gezorgd worden, want voor jezelf zorgen dat kun je niet meer of onvoldoende. En dat wordt alleen maar erger. Hoe ouder je wordt, hoe irrelevanter je wordt”. In de stilte die viel na wat bijna op een boze uitbarsting leek, keken sommige aanwezigen mij aan alsof ze van mij, als de spreker van die avond, daarop een weerwoord verwachten. Maar ik was even onthand als zij. Vragen ‘wie van jullie herkent zich in wat hij zegt?’ leek me risikovol. Want als de reacties bevestigend waren, dan zou ik daar iets mee moeten. Maar ik zou niet weten wat. Wat zeg je tegen bewoners van een verzorgingstehuis die zojuist hebben uitgesproken zichzelf voornamelijk nog als irrelevante mensen te zien, wezens die er niet meer toe doen. Zeggen dat ik er niet zo over denk? Dat ieder mens waardevol is, en zij dus ook? Dat leeftijd of ouderdom of productiviteit of niet daar niets aan- of afdoen en meer van dat soort als geruststelling bedoelde prevelementen? Of zeg ik, eerlijker, dat ik me kan voorstellen dat ze zich irrelevant voelen, want dat de jongere generaties hen veelal ook zo zien en behandelen. Daarom, wen er maar aan. Of zeg ik, nog eerlijker, dat wat zij nu als gevoel of ervaring uitspreken, ik als toekomstangst heb. De angst ooit zelf irrelevant te worden. Ik heb het laatste gezegd. En er aan toegevoegd dat ik hoop nooit het antwoord te moeten geven dat Joseph, de hoofdpersoon in de prachtige roman De Bewonderenswaardige Blumroch van de Franse schrijver Louis Pauwels geeft op de vraag ‘Joseph, waarom leef je?’ Joseph’s antwoord: “Omdat ik er nu eenmaal aan begonnen ben, en vanwege het principe van de traagheid.” Hopelijk lukt het mij altijd weer mezelf het enige tegen irrelevantie werkzame recept te blijven voorschrijven. Te weten: zorg dat je doelen nooit opraken! Die avond, op terugweg naar huis, bedacht ik me weer eens dat uiteindelijk de meest beslissende zorg in de zorg toch de zorg voor zingeving is.

Trump’s psycho-logica

Onlangs vroegen mijn studenten mij – de aanleiding was dat hij nu een jaar president is – wat ik van Donald Trump vind. Mijn antwoord ‘hij is op dit moment de meest succesvolle man op deze planeet’ riep nogal wat verbouwereerde reacties op. ‘Op Trump’s curriculum staan onder meer’, zo legde ik uit, ‘zeer vermogend zakenman, invloedrijk televisiepresentator en boekenschrijver, en President van de Verenigde Staten. Hoe succesvol wil je het hebben?’ Dat leidde tot enige nadenkstilte. Die ik zelf verbrak door te zeggen ‘maar dat is niet het enige dat ik van hem vind. Als leider vind ik hem ook een van meest respectloze, slechte en schadelijke voorbeelden die er momenteel rondlopen. Schelden, razen, tieren, dreigen, aanranden, liegen, bedriegen en pesten, het laatste vaak op de meest kinderachtige manieren, hij permitteert het zich allemaal. Er moet in zijn karaktervorming iets vreselijk mis zijn gegaan. Want je kunt zijn hele levenshouding typeren met deze ene zin waarvan hij in de loop der jaren maar niet genoeg heeft gekregen die te pas en te onpas te herhalen: “The only sin is not to win’. Winnen is voor hem het enige dat telt. Als hij ooit verliest dan is het omdat de anderen vals gespeeld hebben. En om te winnen is alles gepermitteerd want ‘the winner takes it all’. Mag er met de hele buit van door. Vanuit deze winnaarsoptiek geldt daarom: ikke eerst! Trump heeft dat heel behendig omgezet in zijn slogan “America first!’, die psychologisch niets anders is dan een politieke verpakking van zijn persoonlijke ‘ikke eerst’. Dat laat zich duidelijk aflezen aan zijn milieupolitiek. Hij moet niets hebben van het accoord van Parijs, bedoeld om de uitstoot van schadelijke gassen en stoffen wereldwijd zoveel mogelijk terug te dringen. Voor hem geldt niet wat moeten we aan de aarde geven zodat deze ook voor toekomstige generaties zo leefbaar en gezond mogelijk zal zijn. Voor hem geldt wat kunnen wij Amerikanen uit de aarde nemen om onze economie op zo kort mogelijke termijn zo winstgevend als mogelijk te laten draaien. De logica van Trump is de logica van de economie, de logica van nemen. Volgens die logica gaat het er eerst en vooral om dat je nu succes hebt, in de zin van rijkdom, bezit, status. Daartegenover staat de logica van geven. Dat is de logica van de mens die zich niet afvraagt wat heeft deze planeet of hebben anderen mij te bieden maar wat heb ik deze planeet of de mensen om me heen te bieden. In het spanningsveld tussen deze twee logica’s staan deze twee vragen: Wat wil je vooral zijn, een succesvol of een goed mens? En wat doe je als beide niet verenigbaar zijn? Bij het verlaten van de collegezaal stond een van de studenten even bij mij stil. ‘Misschien toch goed’, zei ze, ‘dat we een tijdje met iemand als Trump opgescheept zitten. Anders zouden we het nu waarschijnlijk niet over deze wezenlijke vragen gehad hebben’.